Bloedkankers: deel 2: Behandelingsmethoden

Laatst bijgewerkt: november 2015

dossier

zie ook rubriek bloedkankers

zie ook artikel : Bloedkankers: deel 1: Soorten

Soorten behandelingsmethoden

Er bestaan meerdere behandelingsmethoden van leukemie en lymfoom die apart of samen worden toegepast, in functie van het type kanker, hoe de abnormale cellen er precies uitzien, de hoeveelheid abnormale cellen, het stadium waarin de kanker zich bevindt, de leeftijd en de algemene conditie van de patiënt, enz.
Deze behandelingsmethoden zijn het voorwerp van permanente klinische en experimentele onderzoeken en worden dan ook voortdurend aangepast en verfijnd en aangevuld met nieuwe geneesmiddelen en technieken.

1. Chemotherapie

medic-chemo-170.jpg
Bij chemotherapie worden bepaalde geneesmiddelen (cytostatica), giftige stoffen eigenlijk, toegediend met de bedoeling om de abnormale cellen te vernietigen. Omdat deze geneesmiddelen ook gezonde cellen doden, hebben ze heel wat nevenwerkingen. Maar omdat kankercellen sneller delen dan gezonde cellen, kunnen deze producten de toename van het aantal kankercellen afremmen of stoppen, zonder al te veel gezonde cellen te doden.
Er bestaan meer dan 50 verschillende cytostatica die apart, maar meestal met meerdere samen in specifieke combinaties worden toegediend.
De geneesmiddelen kunnen, afhankelijk van de preciese behandeling, via de mond worden genomen, of rechtstreeks in aders (via infuus of inspuiting) of in het ruggenmerg- en/of hersenvocht worden ingebracht.
De dosis en de duur van de behandeling verschilt geval per geval. Meestal worden specifieke schema's gebruikt waarbij meerdere cytostatica in een bepaalde volgorde en aan een bepaalde dosis, gedurende een bepaalde periode en volgens preciese tijdsintervallen worden toegediend.
Ook is het mogelijk dat de schema's of de combinatie van producten worden aangepast in functie van het verloop van de behandeling, of als de ziekte na verloop van tijd terugkeert (recidief).
Er lopen voortdurende klinische studies om de beste schema's en combinaties uit te testen en op punt te stellen.

Chemotherapie heeft allerlei nevenwerkingen.
• de patiënt kan zich erg ziek voelen, misselijk zijn, moet overgeven… Deze nevenwerkingen kunnen meestal vrij goed worden bestreden met speciale geneesmiddelen.
• vermindering of afbraak van beenmerg. Hierdoor verminderen de witte bloedcellen en verhoogt de kans op infecties. Door een vermindering van bloedplaatjes kunnen spontane bloedingen optreden. Door een vermindering van rode bloedcellen kan bloedarmoede optreden. Dit effect begint meestal na ongeveer 7 dagen en kent een piek tussen 10 en 14 dagen na de chemotherapie. Het kan gepaard gaan met plotse koorts of zich onwel voelen.
Bij sommige vormen van leukemie worden zeer hoge dosissen cytostatica gebruikt waardoor het beenmerg volledig wordt afgebroken. Dat moet dan vervangen worden via transplantatie (zie verder).

• Vermoeidheid. Deze vermoeidheid treedt vooral op naar het einde van de kuur.
• Haarverlies. Dit begint meestal 3 tot 4 weken na een eerste kuur. Alle haren (niet alleen hoofdhaar) kan uitvallen. Dit effect is evenwel tijdelijk. Zodra de behandeling beëindigd is, begint het haar weer te groeien.
• Droge en ontstoken mond en smaakveranderingen. De mond wordt droog, soms ontstaan kleine blaasjes. Veel drinken en een goede mondhygiëne (dikwijls tanden poetsen met een zachte borstel) is belangrijk. Eventueel zal de arts producten voorschrijven om mondinfecties tegen te gaan. De veranderde smaak is tijdelijk.
• Irritatie van de maagslijmvlies: sommige cytostatica veroorzaken een verhoogde maagzuurproductie, wat aanleiding kan geven maagpijn, indigestie, verlies van eetlust… Sommige producten kunnen daarentegen aanleiding geven tot een verhoogde eetlust.
• Tintelingen in handen en voeten. Sommige producten kunnen aanleiding geven tot tintelingen of gevoelloosheid in handen en voeten. Dit verdwijnt na enkele maanden.
• Veranderingen van huid: de huid kan droger worden en er kan jeuk ontstaan. De huid wordt ook gevoeliger voor de zon.
• Irritatie van de blaas: sommige producten kunnen de blaas irriteren. Om dit te verkopen moet de patiënt veel drinken.
• Diarree: in geval van diarree moet u veel drinken. De arts kan geneesmiddelen voorschrijven.
• Hoofdpijn: sommige producten veroorzaken hoofdpijn. Ook bij toediening van cytostatica in het ruggenmergvocht of het hersenvocht ontstaat hoofdpijn.
• Waterophouden: door sommige producten wordt de zout-waterbalans in het lichaam verstoord, waardoor water opgeslagen, vooral in de voeten en vingers die opzwellen.
• Vruchtbaarheid: chemotherapie kan een invloed hebben op de vruchtbaarheid. Bespreek dit vooraf zeer duidelijk met de arts. Het is af te raden om zwanger te worden tijdens een behandeling, zorg daarom voor een aangepast anti-conceptiemiddel.
• Maandstonden: de maandstonden kunnen verstoord worden. Bij jonge vrouwen herstellen die zich meestal na de behandeling, bij oudere vrouwen kan dit leiden tot vervroegde menopauze.
• Koorts: sommige producten kunnen aanleiding geven tot een griepachtige toestand met koorts en spierpijn.
• Verstoring van hart- of longfunctie. Daarom zal bij gebruik van die producten de hart- en longfunctie nauwgezet opgevolgd worden.
• Weefselschade: omdat cytostatica zeer giftig zijn, moet bij het toedienen vermeden worden dat ze 'uitlopen' op omliggende weefsels of omliggende aders. Dit is niet altijd zo gemakkelijk omdat ze vaak moeten worden toegediend. Er bestaan nu allerlei speciale systemen waarbij een catheter wordt ingeplant die voor de hele duur van de behandeling aanwezig blijft zodat niet telkens opnieuw aders moeten worden aangeprikt.

Signaleer altijd onmiddellijk wanneer er nevenwerkingen optreden. Meestal kunnen die door aangepaste maatregelen of door speciale geneesmiddelen voorkomen of verholpen of verlicht worden.

zie ook artikel : Chemotherapie

2. Corticosteroïden

Chemotherapie wordt dikwijls kortstondig aangevuld met de gelijktijdige toediening van corticosteroïden. Ze remmen de aanmaak van witte bloedcellen af. Bovendien helpen ze tegen onder meer misselijkheid.

3. Radiotherapie

radiotherapie-blauw.jpg
Bij radiotherapie worden radioactieve stralen gebruikt om de kwaadaardige cellen te doden. De radioactieve straling brengt schade toe aan het DNA van de cellen waardoor ze zich niet meer kunnen delen en afsterven. Ook gezonde cellen worden beschadigd, maar vermits de kankercellen zich sneller delen, treft de bestraling in verhouding meer kankercellen.
Er bestaan twee vormen van radiotherapie:
• uitwendig met een bestralingstoestel
• inwendig waarbij het radioactieve materiaal in de te bestralen plaats wordt ingebracht via een inplantaat of kleine kraaltjes.
Bestraling gebeurt meestal polyklinisch.
De dosering en de positie van de bestraling worden zorgvuldig berekend om zo veel mogelijk gezond weefsel te sparen. De bestraling zelf duurt maar enkele minuten, maar wordt gedurende een voorafbepaalde periode dagelijks herhaald.
De behandeling is niet pijnlijk, maar na verloop van tijd kunnen wel nevenwerkingen optreden.
• Na verloop van tijd kan de huid rood worden en gevoeliger voor zonlicht. Ook kan huidpigmentatie (bruinverkleuring) optreden.
• Vermoeidheid. Die verdwijnt in de weken na de behandeling.
• Bij rechtstreekse bestraling van het hoofd kunnen bij kinderen later neurologische problemen optreden, zoals leerproblemen, gedragsstoornissen, epilepsie…
• Radiotherapie houdt ook een verhoogd risico in op de ontwikkeling van bepaalde kankers (Acute leukemie, Kanker van longen, borst, colon, bot of schildklier, Non-Hodgkin lymfoom).

4. Beenmerg - of stamceltransplantatie

inspuiten-stamcel.jpg
Bij een beenmerg - of stamceltransplantatie worden de bloedcellen van de patiënt door behandeling met celdodende stoffen (cytostatica) en bestraling (radiotherapie) vernietigd, waarna er nieuwe stamcellen aan de patiënt gegeven worden. Stamcellen zijn onrijpe cellen die uitgroeien tot bloedcellen. Dit gebeurt via een infuus zoals bij een bloedtransfusie. Deze stamcellen groeien vervolgens weer uit tot nieuwe bloedcellen.

externe link : MS-Liga Vlaanderen

Wanneer de stamcellen afkomstig zijn uit het beenmerg, spreekt men van een beenmergtransplantatie (BMT).
Wanneer de stamcellen uit het bloed gehaald worden, is er sprake van een stamceltransplantatie (SCT).

Allogene transplantatie
Zijn de stamcellen afkomstig van een donor (meestal een naaste verwante, bij voorkeur tweelingsbroer of -zus, broer of zus), dan spreekt men over een allogene transplantatie.
Bij een allogene transplantatie kan een afstotingsreactie optreden, waarbij de donorcellen de cellen van de patiënt aanvallen.
Een allogene beenmergtransplantatie wordt meestal niet meer toegepast bij patiënten die ouder zijn dan 50 jaar.

Autogene of autologe transplantatie
De stamcellen zijn afkomstig van de patiënt zelf. Ze worden weggenomen op het ogenblik dat de ziekte in remissie is (dus nadat de meeste kankercellen vernietigd zijn). Het beenmerg dat wordt weggenomen wordt 'gezuiverd' van eventuele nog aanwezige kankercellen.
Een dergelijke transplantatie wordt meestal niet meer toegepast boven de leeftijd van 65 jaar.

Het duurt twee tot vier weken voor de nieuwe stamcellen hun weg naar het beenmerg hebben gevonden en nieuwe bloedcellen beginnen aan te maken. Al die tijd blijft de patiënt gehospitaliseerd, meestal in een speciale kamer om het risico op infecties zo klein mogelijk te houden. Er zullen preventief antibiotica worden gegeven omdat de patiënt in deze periode zeer vatbaar is voor infecties. Eventueel zullen ook groeifactoren worden toegediend, geneesmiddelen die de aanmaak van bloedcellen kunnen versnellen. Bloedtransfusies zijn nodig om rode bloedlichaampjes en bloedplaatjes te geven in afwachting dat het beenmerg die zelf opnieuw aanmaakt.
Een volledig herstel na een beenmergtransplantatie duurt meerdere maanden.
Het is een ingrijpende behandeling die vrij lang duurt (4 tot 6 weken), de patiënt zeer ziek maakt (braken, misselijkheid, koorts…) en waaraan heel wat risico's zijn verbonden.
Een frequente nevenwerking van een beenmergtransplantatie, vooral een allogene transplantatie (via donor), is onvruchtbaarheid. Ook bestaat een risico op cataract (vertroebeling van de ooglens, met blindheid tot gevolg), en verwikkelingen in lever, nieren, hart en long.

stamcel-machine.jpg
Autogene of autologe transplantatie
De stamcellen zijn afkomstig van de patiënt zelf. Ze worden weggenomen op het ogenblik dat de ziekte in remissie is (dus nadat de meeste kankercellen vernietigd zijn). Het beenmerg dat wordt weggenomen wordt 'gezuiverd' van eventuele nog aanwezige kankercellen.
Een dergelijke transplantatie wordt meestal niet meer toegepast boven de leeftijd van 65 jaar.

Het duurt twee tot vier weken voor de nieuwe stamcellen hun weg naar het beenmerg hebben gevonden en nieuwe bloedcellen beginnen aan te maken. Al die tijd blijft de patiënt gehospitaliseerd, meestal in een speciale kamer om het risico op infecties zo klein mogelijk te houden. Er zullen preventief antibiotica worden gegeven omdat de patiënt in deze periode zeer vatbaar is voor infecties. Eventueel zullen ook groeifactoren worden toegediend, geneesmiddelen die de aanmaak van bloedcellen kunnen versnellen. Bloedtransfusies zijn nodig om rode bloedlichaampjes en bloedplaatjes te geven in afwachting dat het beenmerg die zelf opnieuw aanmaakt.
Een volledig herstel na een beenmergtransplantatie duurt meerdere maanden.
Het is een ingrijpende behandeling die vrij lang duurt (4 tot 6 weken), de patiënt zeer ziek maakt (braken, misselijkheid, koorts…) en waaraan heel wat risico's zijn verbonden.
Een frequente nevenwerking van een beenmergtransplantatie, vooral een allogene transplantatie (via donor), is onvruchtbaarheid. Ook bestaat een risico op cataract (vertroebeling van de ooglens, met blindheid tot gevolg), en verwikkelingen in lever, nieren, hart en long.

zie ook artikel : Stamceltechnologie. Modegril of therapie voor de toekomst?

5. Monoklonale antilichamen.

Dit zijn antilichamen die in het laboratorium zijn gewijzigd waardoor ze kankercellen herkennen en zich erop vastzetten. Hierdoor kunnen cytostatica die bij chemotherapie gebruikt worden, maar die ook gezonde cellen vernietigen, meer gericht tot bij de kankercellen worden gebracht. Ze kunnen ook geladen worden met een radio-actieve stof die op die manier tot bij de kankercel wordt gebracht. Ook kunnen deze monoklonale antilichamen de kankercellen zo veranderen dat ze toch herkenbaar worden voor het eigen afweersysteem.
Deze behandeling is nog vrij experimenteel, maar er bestaan momenteel reeds enkele specifieke monoklonale antilichamen die gebruikt worden bij de behandeling van bepaalde types van gevorderde leukemie en hodgkin- en non-hodgkin-lymfomen.

Mogelijke bijwerkingen
• allergische reactie
• braken, misselijkheid,
• griepachtige symptomen (vermoeidheid, koorts, spierpijn…)
• verlaging bloeddruk

6. Immunotherapie

medic-infuus-chemo--170-400_03.jpg
Dit is een vrij recente behandelingsmethode waarbij het eigen immuunsysteem wordt hersteld of versterkt om de kankercellen te kunnen bestrijden.
Bij de behandeling van leukemie en lymfomen worden bepaalde vormen van immunotherapie al vrij algemeen gebruikt.

Interferon-alfa
Interferon is een cytokine, een eiwit dat door specifieke witte bloedcellen wordt gemaakt. Het kan ook synthetisch worden aangemaakt. Interferon remt de vermenigvuldiging van kankercellen af, zwakt hun vermogen om zich te verbergen voor het lichaamseigen immuunsysteem af en versterkt het lichaamseigen immuunsysteem.
Het wordt meestal onderhuids ingespoten. Dit kan ambulant gebeuren.
Mogelijke nevenwerkingen (vergelijkbaar met chemotherapie, maar meestal veel minder en milder):
• griepachtige klachten (koorts, spierpijn, vermoeidheid...): meestal kort na inspuiting
• misselijkheid, braken, eetlustverlies…
• vermoeidheid
• huid: de huid kan vooral op de plaats van inspuiting rood en jeukerig worden
• verstoring van de nierfunctie
• vocht ophouden
• bloedtekort (anemie)
• verlaging bloeddruk, veranderingen hartritme
• duizeligheid
• haarverlies
• onvruchtbaarheid

Kolonie stimulerende factoren (CSF's)
Dit zijn geneesmiddelen die geen directe invloed hebben op de kankercellen, maar die het beenmerg stimuleren om meer rode en witte bloedcellen en bloedplaatjes aan te maken. Daarom worden ze soms ook hematopoietine groeifactoren genoemd.
Door gebruik te maken van deze producten kunnen de dosissen van chemotherapie opgedreven worden, zonder het risico op infecties en bloedingen al te zeer te verhogen en zonder bloedtransfusies te moeten geven. Ze worden ook gebruikt in voorbereiding op een beenmergtransplantatie om de productie van stamcellen te stimuleren.
Er bestaan verschillende CSF's die witte bloedcellen stimuleren, andere stimuleren rode bloedcellen, nog andere bloedplaatjes.
Bekendst is Erythropoietine of EPO dat de aanmaak van rode bloedcellen stimuleert, en ook bekend is in de sport als doping.

Vaccinatie
Experimentele behandelingsmethode waarbij bepaalde stoffen worden gebruikt die het immuumsysteem moeten stimuleren om de kankercellen aan te vallen en te doden.

7. Bloedtransfusies

Vermits door de behandeling het beenmerg wordt aangetast, waardoor de productie van witte en rode bloedcellen en bloedplaatjes wordt afgeremd of stilgelegd, zullen bloedtransfusies en eventueel toediening van bloedmergstimulerende geneesmiddelen nodig zijn om de nodige bloedcellen en bloedplaatjes aan te vullen.

8. Infectiecontrole

Vermits door de behandeling het reeds verzwakte immuunsysteem nog verder wordt onderdrukt, wordt alles in het werk gesteld om infecties te vermijden en om ze zo snel mogelijk te behandelen.
Dit betekent onder meer:
• preventieve toediening van antibiotica en/of immunoglobulinen
• agressieve behandeling van infecties met antibiotica
• strikte lichaamshygiëne (o.m. tandverzorging)
• verblijf in steriele ruimten, steriel voedsel...



verschenen op : 05/06/2003 , bijgewerkt op 01/11/2015


pub