Gedrags- en oefentherapie helpt bij chronisch vermoeidheidssyndroom

Laatst bijgewerkt: mei 2011
vr-moe-bureau-170_400_03.jpg

nieuws Over de diagnose en de behandeling, zelfs over de preciese definitie van het chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS) bestaan grote discussies.
De Rijksdienst voor Ziekteverzekering (RIZIV) lanceerde dit jaar een proefproject met een nieuw model van multidisciplinaire behandeling door de eerste (huisartsen, psychologen en kinesisten) en tweede lijn (medische specialisten) voor te stellen.
Bedoeling van het project, dat vijf jaar zou lopen, is om richtlijnen op te stellen voor de diagnose en behandeling van CVS-patiënten op de eerste lijn en over de doorverwijzing naar de tweede en derde lijn, om de behandelingsmethoden uit te testen en de verbetering van de levenskwaliteit van de patiënten te evalueren.

Volgens een studie van de wetenschappelijke huisartsenverenigingen SSMG en Domus Medica lijdt ongeveer 1% van de patiënten die klagen over vermoeidheid aan het chronische vermoeidheidssyndroom. Heel wat verwante stoornissen (fibromyalgie, prikkelbare-darmsyndroom, angst- en depressiesyndromen en andere aspecifieke klachten) worden vaak als “chronische vermoeidheid” bestempeld.

Op het vlak van de behandeling van CVS bestaat er thans geen enkele erkende behandeling met geneesmiddelen. De enige behandelingsmethoden waarvan de efficiëntie is aangetoond zijn de cognitieve gedragstherapie en de graduele oefentherapie. Dat werd zopas nog bevestigd in een nieuw Brits onderzoek waarin verschillende behandelingsmethoden werden vergeleken (Lancet, 18 Februari 2011). Volgens deze studie zijn cognitieve gedragstherapie (CGT) en graduele of opbouwende oefentherapie (GET) de twee meest efficiënte behandelingen.
Cognitieve gedragstherapie richt zich vooral op verandering van gedrag en opvattingen rondom vermoeidheid. Graduele oefentherapie vermindert de vermoeidheid door langzaam de fysieke activiteit (in deze studie de wandelafstand) op te voeren en de fitheid van de patiënt te verbeteren.

CVS-patiënten die deze behandeling volgden hadden duidelijk minder vermoeidheidsklachten en beperkingen dan de patiënten die deelnamen aan de zogenaamde adaptieve pacingtherapie (APT) of een specialistische medische behandeling (voorlichting over de aard, de oorzaken en de behandeling van de ziekte, het advies om extreme activiteiten te vermijden, op tijd te rusten en geneesmiddelen om beter te slapen, tegen de pijn, enz.) kregen. Er waren ook niet meer nevenwerkingen, opstoten van pijn of vermoeidheid bij gedragstherapie en graduele oefentherapie dan bij APT.

APT is gericht op aanvaarding van de chronische aandoening en gaat ervan uit dat een CVS-patiënt beschikt over een beperkte hoeveelheid energie die in balans moet worden gehouden. De patiënt wordt geleerd om met zijn beperkte energie om te gaan door activiteiten te beperken en op te letten geen toename van de klachten uit te lokken door overdreven inspanningen. Blijkbaar kan dit model bij chronisch vermoeide patiënten contraproductief werken, mogelijk omdat chronische vermoeidheid onderhouden kan worden door het focussen op de symptomen of het vermijden van te veel bewegen omwille van angst voor het verergeren van de klachten. De auteurs besluiten dat CVS-patiënten veilig hun grenzen kunnen proberen te verleggen, en dat ze niet beter worden door te blijven vasthouden aan hun klachten.



verschenen op : 12/05/2011


pub