ad

Geneesmiddelen bij hoest

Laatst bijgewerkt: november 2015
ahorsiroop-170_400_08.gif

dossier In de British Medical Journal verscheen een overzicht van recente studies naar de doeltreffendheid van vrij te verkrijgen geneesmiddelen bij hoest (antitussiva, expectorantia, mucolytica, H 1-antihistaminica, al dan niet in combinatie met decongestiva) bij volwassenen met infectie van de bovenste luchtwegen.


In totaal konden 15 studies behouden worden voor evaluatie, maar ook deze studies vertoonden nog methodologische tekortkomingen. Het effect van het hoestmiddel werd vooral geëvalueerd door middel van door de patiënt aan te geven veranderingen in ernst of frequentie van hoest.
In negen van deze studies was het effect van het geneesmiddel niet beter dan dat van een placebo; voor de zes andere studies bestonden twijfels over het effect. De geneesmiddelen werden wel meestal goed verdragen. Gezien het beperkt aantal goede gegevens, blijft het op dit ogenblik onmogelijk een uitspraak te doen over zin of onzin van deze middelen.
Naar aanleiding van dit onderzoek publiceerde de Folia Pharmacotherapeutica (december 2002), het maandelijks geneesmiddelenbulletin van het Belgisch Centrum voor Farmacotherapeutische Informatie, volgende aanbeveling over deze hoestmiddelen.

• Zowel bij kinderen als bij volwassenen is er geen bewijs van doeltreffendheid van antihoestmiddelen (antitussivum).
• In de eerste plaats moet getracht worden associatiepreparaten zoveel mogelijk te vermijden. De in deze preparaten aanwezige stoffen (b.v. anticholinergica, H 1-antihistaminica) zijn immers niet vrij van ongewenste effecten, en hebben meestal geen voordelen in vergelijking met een preparaat met één actief bestanddeel.
• Bij kinderen vóór de leeftijd van 1 jaar worden antitussiva afgeraden. Ook bij oudere kinderen dient het gebruik van antitussiva ten zeerste worden beperkt. Fenothiazine-derivaten, dextromethorfan en noscapine mogen niet gebruikt worden vóór de leeftijd van 2 jaar.
• Men kan toch een antitussivum overwegen wanneer het gaat om een hinderlijke hoest bij een volwassene of kind. Men zal dit geven wanneer de nood het hoogst is, dikwijls vóór het slapengaan. Daarbij verdienen codeïnefosfaat, dextromethorfan en folcodine de voorkeur. Codeïnefosfaat en dextromethorfan zijn in België beschikbaar als monopreparaat, b.v. in siroopvorm. Codeïne, dextromethorfan en folcodine kunnen ook magistraal worden voorgeschreven. Ongewenste effecten van codeïne zijn vooral verstopping, duizeligheid en slaperigheid; deze van dextromethorfan en folcodine vooral duizeligheid en maag- en darmklachten. De doses in Martindale (editie 33) vermeld voor codeïnefosfaat, dextromethorfanhydrobromide en folcodine zijn de volgende.

Codeïnefosfaat

Volwassenen. 15 à 30 mg per gift (tot 3 à 4 x p. d.).
Kinderen 1 tot 5 jaar: 3 mg (3 à 4 x p.d.);
5 tot 12 jaar: 7,5 mg tot 15 mg (3 à 4 x p.d.).

Dextromethorfanhydrobromide

Volwassenen. 10 tot 20 mg om de 4 uur, of 30 mg om de 6 tot 8 uur (max. 120 mg p.d.).
Kinderen 2 tot 6 jaar: 2,5 tot 5 mg om de 4 uur, of 7,5 mg om de 6 à 8 uur (max. 30 mg p.d.);
6 tot 12 jaar: 5 tot 10 mg om de 4 uur, of 15 mg om de 6 à 8 uur (max. 60 mg p.d.).

Folcodine

Volwassenen. 5 à 10 mg per gift (3 à 4 x p.d.)
Kinderen 1 tot 5 jaar: 2 à 2,5 mg (tot 3 x p.d.);
> 5 jaar: 2,5 à 5 mg (3 à 4 x p.d.).




ad


pub