Tips voor faalangst bij kinderen

Laatst bijgewerkt: mei 2019

dossier

"Vorig week kreeg Jasper een zeven voor rekenen op zijn rapport. Hij was aardig ontgoocheld. Vandaag bracht hij een nieuw rekenblad mee van school: huiswerk. 'Mama, ik kan dat niet', zuchtte hij voortdurend. Zijn vader wil dat hij alleen maar negens en tienen haalt op zijn rapport. En dat is het enige waaraan Jasper nu denkt."

Wat is faalangst?

Faalangst betekent bang zijn om bij een taak te falen: toetsen, examens, erbij horen, over de bok springen. Die angst kan kinderen blokkeren: ze doen niks meer, haken af. Bij andere kinderen zorgt de angst ervoor dat ze nog harder werken, geen afstand kunnen nemen, zich nooit ontspannen. Nog anderen wisselen hard werken en stilvallen af.

Wie heeft last van faalangst?

Eén op tien kinderen lijdt aan een vorm van faalangst: vooral kinderen met weinig zelfvertrouwen. Meer meisjes dan jongens.

Waarom heeft een kind last van faalangst?

Faalangst is een gevoel. Kinderen zijn bang dat ze door een slechte prestatie de waardering van hun ouders, klasgenoten en leerkrachten verliezen ("Dat had ik niet verwacht van jou"), of het geloof in eigen kunnen ("Ik kan toch niks"). Faalangstigen zijn slechte voorspellers: ze geloven dat de kans op mislukken erg groot is.

Wat zijn de gevolgen van faalangst?

Sommige faalangstige kinderen ontwijken nieuwe uitdagingen. Ze gaan zich vlug het domste of meest luie kind van de klas voelen. Dat leidt vaak tot demotivatie: ze willen niet meer leren, willen niet meer naar school. Ze worden liever lui dan dom genoemd.

Hoe voorkom je faalangst?

  • Niemand is perfect. Laat voelen dat je kind fouten mag maken, ook thuis.
  • Laat kinderen van jongsaf aan veel taakjes uitvoeren die ze aankunnen (torens bouwen, kledij aandoen, boterhammen smeren) en geef positieve reactie. Succes helpt ze geloven in zichzelf. Kinderen die veel mislukkingen in hun rugzak meesleuren, gaan geen nieuwe (leer)uitdagingen aan. Soms geven ouders overdreven gevaartekens: "Pas op, doe niet zo gevaarlijk, maak je niet vuil". Kinderen gaan dan minder ontdekken, durven geen uitdagingen aannemen. Zorg wel bij elke uitdaging voor een vangnet: "Ik ben er voor jou".
  • Leer kinderen zoeken naar een juiste verklaring voor hun succes of hun mislukking. En leer ze die aanvaarden. Faalangstige kinderen gaan vaak ten onrechte de oorzaak bij zichzelf zoeken: "Ik ben dom". Als het goed gaat, zeggen ze dat ze gewoon geluk hadden: "Het was gemakkelijk".  
  • Observeer je kind. Kijk wat het aankan. Stem je verwachtingen af op zijn capaciteiten. Moet hij werkelijk 80% voor wiskunde halen? Wie voortdurend boven zijn mogelijkheden moet presteren en daarom faalt, geraakt gedemotiveerd. 
  • Zit jouw kind met een vraag of een probleem? Los het niet meteen zelf op. Help, maar leer je kind vooral hoe het zijn probleem zelf kan oplossen. 
  • Geef het goede voorbeeld. Hoe ga je zelf om met presteermomenten ("Ik mag toch niet afgaan!"). Geef ook aan je kinderen toe dat je fouten maakt.
  • Vergelijk de prestaties van je kind niet met dat van broers, nichtjes, buren etc die veel handiger, slimmer zijn. Vergelijk wel met de vorige prestaties van je kind. Geef evenveel aandacht aan de inspanning als aan het resultaat: "Je hebt je best gedaan". Dat motiveert. 
  • Zorg voor evenwicht in het leven van je kind. Elk kind heeft ook ontspanning nodig. Vermijd sport waar competitie centraal staat. 
  • Verhalen over jouw succes van vroeger kunnen je kind erg onder druk zetten. Vertel ook over jouw twijfels en mislukkingen. 
  • Ouders kiezen vaak voor een school/studierichting waar kinderen het niet te gemakkelijk hebben. Sommige kinderen blokkeren dan.

Wat te doen als jouw kind faalangst heeft?

Mogelijke signalen zijn:

  • Je kind piekert veel, denkt enkel aan wat kan mislopen.

  • Je kind heeft vaak hoofdpijn, maag- of darmklachten, gaat nagelbijten.

  • Je kind is verlegen, gesloten, of hangt integendeel de clown uit, zoekt uitvluchten, liegt, huilt.



  • Wat niet doen of zeggen:

  • Blijven negeren: "Ach, je kan dat wél";

  • Verwijten: "Doe toch niet zo flauw";

  • Ingaan op vermijdingsgedrag: "Je moet vandaag niet naar school";

  • Vergelijken met anderen: "Zij kunnen dat wél";

  • Zomaar medicatie geven.



  • Wat wel doen of zeggen:

  • Blijf rustig. Als je kind panikeert, panikeer dan niet mee. Vermijd emotionele scènes.

  • Maak tijd om te luisteren: "Vind je zelf dat je het niet goed genoeg kan?" "Wat heb je al gedaan?"

  • Aanvaard dat er een probleem is. Deel het probleem: "We gaan er samen aan werken". Contacteer eventueel de leerkracht op school.

  • Stel je kind gerust. Zeg dat faalangst bij het dagelijkse leven hoort, dat jij het ook hebt. Mislukken mag en is zelfs nodig om te leren. Geef toe dat je zelf ook fouten maakt.

  • Vertel je kind over zijn positieve eigenschappen: «"e bent misschien minder goed in rekenen, maar je kan goed sporten, bent een leuke broer, een goede speelkameraad".

  • Buig de negatieve gedachten om. Ga samen op zoek naar wat jouw kind écht angstig maakt en koppel die angst los van de taak. "Ik ben bang dat papa/de leerkracht boos zal zijn als, dat leerlingen me gaan uitlachen als..." Klopt die negatieve gedachte wel? Vervang die negatieve gedachten door positieve: "Papa is blij als je je best doet, je hebt je les goed geleerd, je kan het." 

  • Stimuleer je kind om zijn opdracht (toets, spreekbeurt, sporttest) toch uit te voeren. Maak voor het kind duidelijk dat er geen weg naast is. Ga niet in op vermijdingsgedrag.

  • Geef structuur. Pas de opdracht aan (deelopdrachten, samen stappen zetten), help een studieplanning opmaken. Ga op zoek naar wat voor jouw kind haalbaar is en laat het van dat succes genieten. Zeg dat het mag mislukken, zijn inzet telt.

  • Aarzel niet om naar het CLB (Centrum voor Leerlingenbegeleiding) te stappen als je zelf geen uitweg ziet. Een aangepaste behandeling kan helpen.


  • verschenen op : 21/05/2019 , bijgewerkt op 21/05/2019


    pub