Stotteren

Laatst bijgewerkt: maart 2019

dossier In België zijn er ongeveer 100 000 mensen die stotteren. Stotteren of mondelinge onzekerheid is voor deze mensen niet enkel een spraakstoornis, maar een parttime handicap. Stotteren heeft vergaande sociale, emotionele en soms zelfs fysiologische gevolgen.

Wat is stotteren?

Stotteren is een neuromusculair programmeerprobleem. Het is een storing in de ontwikkeling van de spraak.
Spreken is een complexe vaardigheid. Gedachten, ideeën of gevoelens dienen omgezet te worden in taal, in woorden en zinnen. Deze taal wordt omgezet in spraakbewegingen. Vervolgens worden alle spieren die met spreken gemoeid zijn geïnstrueerd (meer dan 100), om precies de goede beweging te maken, met precies de goede snelheid en kracht en precies op het goede moment. Dit vereist een grote mate van coördinatie en timing.

123-logo-stotteren-letters-03-19.png
Het is dus niet verwonderlijk dat dit bij jonge kinderen niet altijd goed lukt. Je hoort dan dat ze een klank of een stukje van een woord herhalen of een klank langer aanhouden dan nodig is. Bij ongeveer 5% van alle kinderen treden stotterverschijnselen op. Bij 50 - 80% van de kinderen die op peuter en kleuterleeftijd haperen, verdwijnt dit vanzelf weer op het moment dat ze hun 'spraakapparaat' beter kunnen besturen.

Stotteren ontstaat meestal geleidelijk tussen het tweede en vijfde levensjaar, in een periode dat de spraak en taal zich ontwikkelt en dat de communicatieve vaardigheden verworven worden. De twee toppen van het beginnen stotteren liggen tussen de 5 en 7 jaar en tussen de 12 en 14 jaar. Hoe vroeger in de ontwikkeling het stotteren optreedt, hoe meer kans op chroniciteit.

Kinderen die stotteren verschillen in hun medische, cognitieve of psychologische ontwikkeling niet van kinderen die niet stotteren.

Merkwaardig genoeg stotteren meer jongens dan meisjes: in de peuterleeftijd stotteren twee jongens tegenover 1 meisje, een paar jaar later stotteren vier jongens tegenover 1 meisje.
Ruim de helft van alle kinderen met stottergedrag herstelt zonder professionele hulp voor het 10e levensjaar.

Classificatie van stotteren

Primair stotteren: optreden van herhalingen, aarzelingen en verlengingen in het spreken zonder angst of inspanning.
Secundair stotteren: als de spreker zich bewust is van de onregelmatigheid in zijn spreken en het probeert te vermijden.

Tachylemisch stotteren: aangeboren spraakzwakte op erfelijke en hersenpathologische basis.

Symptomatisch stotteren: dit berust op hersenpathologie.
Ontwikkelingsstotteren: komt vooral voor bij hoogintelligente en spraakbegaafde kinderen van veeleisende ouders, die tussen het 4de en het 5de jaar beginnen te stotteren. Verwant met deze norm zijn puperteitsstotteren en nabootsingsstotteren.

Fysiologisch stotteren: is een normale spraakongereedheid die optreedt tussen het 2de en 4de levensjaar.

Traumatisch stotteren: dit houdt meestal geen verband met de spraakorganen, maar wordt veroorzaakt door een psychisch of fysisch trauma.

Hysterisch stotteren: treedt op bij conversiehysterie en berust niet op organische emotie en zijn gevolgen.

Hoe herkent u stotteren?

123-kind-stotteren-woorden-vergeten-07-18.jpg
Stotteren kan op verschillende manieren. Sommigen 'her-her-her-halen' woorden, lettergrepen en letters. Anderen 'vvvvverlengen' klanken. Weer anderen blijven vastzitten op bepaalde letters of gebruiken pauzes, stopwoordjes en aanloopjes.
Andere signalen zijn spanningen en bijbewegingen in het gezicht of van het lichaam - trillingen in mond en kaak, spanning in borst of armen - en aan spreekangst en vermijdingsgedrag. Dit laatste kan zich uiten in bijvoorbeeld het gebruiken van andere woorden of zelfs het weigeren antwoord te geven of iets te zeggen.

Zo’n zeven signalen wijzen erop dat een kind meer hapert dan voor zijn leeftijd normaal is en dat er een stotterprobleem kan ontstaan. De eerste drie signalen zijn vervormingen van de spreekuiting, de laatste vier zijn reacties van het kind op de haperingen.

1. Veelvuldige herhalingen van klanken (b-b-b-boek) of woorddelen (ta-ta-tafel); dit verschilt van herhalingen van het hele woord, die bij normaal onvloeiend spreken horen.
2. Invoegen van de doffe klinker in een herhaling; een doffe klinker is de neutrale klank in bijvoorbeeld de tafel (pu-pu-paard en euh-euh-ook).
3. Verlengen van klanken (mmmmmmama).
4. Spanning en bijbewegingen in het gezicht en/of lichaam tijdens het spreken, bijvoorbeeld: grimassen, oogknipperen en trillingen in mond en kaak, spanning in borst of armen.
5. Stijging in toonhoogte en volume om het woord eruit te krijgen.
6. Spreekangst; dit kan zijn angst voor een bepaald woord, voor meerdere woorden of zelfs voor bepaalde situaties.
7. Vermijdingsgedrag; door de inspanning en schrik kan het kind moeilijkheden gaan omzeilen. Het gaat lange pauzes nemen, andere woorden gebruiken, een zin anders formuleren of informatie weglaten en soms weigert het zelfs om antwoord te geven of iets te zeggen.

Om uit te vinden of een kind normale onvloeiendheden vertoont of dat er een echt risico is op stotteren is de Screening Lijst Stotteren (SLS) ontwikkeld. Met deze ‘Stottertest’ kan u zelf nagaan of er mogelijk een probleem is bij uw kind. Raadpleeg uw arts in geval van twijfel.

Vroege herkenning en behandeling belangrijk

123-logopedie-stotteren-03-19.png
Wanneer u ongerust, gespannen of geïrriteerd bent over het spreken van uw kind is het belangrijk om hulp te zoeken. Hoe eerder u hulp inroept, hoe groter de kans is dat uw kind van het onvloeiend spreken af komt.
Met vroegtijdige signalering en behandeling (vanaf het 2e en vóór het 7e jaar) zijn veel problemen op latere leeftijd te voorkomen. Huisartsen, consultatiebureauartsen en schoolartsen kunnen samen met logopedisten en stottertherapeuten zorgen voor een goede begeleiding van stotterende kinderen en hun ouders.

Is stotteren erfelijk?

Stotteraars hebben 6 tot 10 maal meer stotterende voorouders. Wanneer één van de ouders stottert, is de kans op stotteren bij elk kind 25%. Deze specifieke erfelijkheid zou vooral langs vaderszijde voorkomen.
Bij 2-eiige tweelingen komt stotteren meer voor bij de voorouders, terwijl bij 1-eiige tweelingen stotteren hoofdzakelijk in dezelfde generatie plaatsvindt. Dit houdt waarschijnlijk verband met het feit dat er wel een erfelijke aanleg bestaat tot 2-eiige tweelingen, maar niet tot 1-eiige tweelingen.

Draagt de opvoeding bij tot stotteren?

Wat ouders doen veroorzaakt geen stotteren. Wel kunnen sterk emotionele of straffende reacties van de ouders of de omgeving op haperend spreken, de ontwikkeling van het vloeiend spreken negatief beïnvloeden.
Er zijn bepaalde factoren die het stotteren kunnen versterken of uitlokken. De belangrijkste zijn spanning en snelheid.
Spanning kan ontstaan wanneer het evenwicht verstoord is tussen wat een kind kan (capaciteiten) en wat er van een kind wordt gevraagd, door de omgeving of door het kind zelf (eisen). Ook veel veranderingen in korte tijd kunnen meespelen bij het uitlokken van stotterend spreken. Daarnaast zullen bezorgdheid en irritatie van de omgeving m.b.t. het spreken, een kind het gevoel geven dat het iets fout doet en zo de spanning en dus de kans op stotteren vergroten.
In ieder geval is het belangrijk geen negatieve sfeer rond het stotteren te creëren. Als het kind er geen probleem van maakt, moeten ouders dat ook niet doen. Luister naar WAT een kind vertelt en niet naar HOE het vertelt.
Adviezen als 'zeg het nog eens, praat eens rustig, haal eerst adem enz.' zijn vaak goed bedoeld, maar helpen meestal niet. Een jong kind heeft geen idee wat het dan anders moet doen, en krijgt bovendien het gevoel dat het iets fout doet, hetgeen de spanning weer kan verhogen.
Wanneer een kind zich bewust wordt van zijn onvloeiendheden zal het vaak proberen niet te stotteren. Bijvoorbeeld door meer kracht te zetten, het woord er uit te willen duwen, zodat er vechtgedrag ontstaat. Het spreken wordt dan meer gespannen en er kunnen ook blokkades of meebewegingen ontstaan. Andere kinderen reageren door minder of niet meer te willen praten, of andere woorden te kiezen: vermijdingsgedrag. In beide gevallen is dit geen goede ontwikkeling en verhoogt het de kans op blijvend stotteren. In dat geval is het altijd raadzaam om een deskundige te raadplegen.

Hoe omgaan met stotteren?

De hulp die de omgeving kan bieden , heeft te maken met de wijze van reageren tijdens het stotteren.
• Probeer te luisteren naar wát de stotteraar zegt en probeer je niet te laten afleiden door hóe hij iets zegt.
• Probeer aan te voelen of het stotteren bespreekbaar is en als dat zo is, vraag dan hoe je hem het beste kunt helpen als hij er niet uit komt.
• Probeer aan te voelen of te vragen of de stotteraar het wel of niet prettig vindt dat je hem helpt, bijvoorbeeld door een zin af te maken of door een woord voor te zeggen.
• Houd op natuurlijke wijze oogcontact, zoals je dat ook doet bij andere sprekers.
• Het stotteren bespreekbaar maken , werkt ondersteunend.
• Vermijd ongezonde competitie.






pub