Rabiës of hondsdolheid

dossier Hondsdolheid of rabiës is een ernstige ontsteking van de hersenen door het rabiësvirus. Het rabiësvirus is een rhabdovirus. Hondsdolheid of rabiës is voor de mens een 100 % dodelijke hersenontsteking die wordt opgelopen door een beet maar ook door krabben, likken of contact met een wonde van een hondsdol dier. Er bestaat geen behandeling.

Zodra er symptomen zijn, is rabiës bij mensen en dieren altijd dodelijk . Binnen de 48 uur na infectie, dus voor het verschijnen van de eerste ziektetekens, moet een behandeling wordt ingezet. De incubatietijd is afhankelijk van de aard en de plaats van de beet, de diersoort die de beet heeft toegebracht en de hoeveelheid virus, maar bedraagt gemiddeld 20-60 dagen (met een spreiding van 5 dagen tot een jaar of langer).

Waar komt hondsdolheid voor?

Sinds 1966 werden in België bij de mens enkel uit het buitenland geïmporteerde gevallen genoteerd. In oktober vorig jaar werd in het Vlaams-Brabantse Beersel hondsdolheid vastgesteld bij een jonge hond die illegaal uit Marokko geïmporteerd werd. Uit voorzorgsoverwegingen werd de hond en ook een andere hond die in dezelfde familie verbleef, gedood. Op beide honden werd een autopsie uitgevoerd. Voor de eerste hond bevestigden de resultaten de diagnose van hondsdolheid. De personen die in contact kwamen met het dier werden opgevolgd door de bevoegde diensten van het Pasteur Instituut. Zij kregen een preventieve behandeling en werden gevaccineerd.
Het Voedselagentschap besliste onmiddellijk dat alle honden uit de omliggende gemeenten gedurende 6 maanden verplicht aan de leiband moeten gehouden worden. Bovendien werd geadviseerd om alle honden en katten binnen de zone te vaccineren.
In Europa komt rabiës vooral voor bij wilde dieren als de vos en de vleermuis , maar in Afrika, Azië en Zuid-Amerika is de ziekte wijder verspreid en zijn ook veel honden besmet. In Europa zijn menselijke slachtoffers vrij zeldzaam. De laatste jaren zijn mensen gestorven als gevolg van een rabiësbesmetting overgebracht door vleermuizen (Groot-Brittannië, 2002) of opgelopen in het buitenland of na transplantatie van organen afkomstig van een geïnfecteerde donor (Duitsland 2005).

Symptomen

rabies-mechan-180.jpg
Met rabiës besmette dieren zijn niet altijd te herkennen, sommige dieren dragen het virus bij zich zonder er zichtbaar last van te hebben. Verdacht is het als een dier agressief en onrustig is, of als een dier dat normaal in het wild leeft zoals een vos abnormaal tam is.

Er is na de besmetting een incubatietijd waarvan de lengte vooral afhangt van de plaats waar men gebeten wordt: hoe verder van de hersenen , hoe langer de incubatietijd. Beten in het gezicht hebben de kortste incubatietijd. In deze tijd reist het virus via de zenuwbanen omhoog naar het centraal zenuwstelsel.

De symptomen kunnen nogal wisselen, meestal begint het met aspecifieke symptomen: lichte koorts, algehele malaise, hoofdpijn en verminderde eetlust, zere keel en misselijkheid komen veel voor, gevolgd door prikkelbaarheid, verhoogde spierspanning en overgevoeligheid voor fel licht en harde geluiden.

De belangrijkste diagnostische symptomen zijn echter abnormale gevoelens in het gebeten lichaamsdeel. Een gevoel van pijn, koude, jeuk of tintelen treedt bij 80% van de patiënten op. Langzaam treedt er een verhoogde prikkelbaarheid op, soms met spierkrampen. Het zien van water en pogen te drinken kan krampen uitlokken van de slikspieren en de ademhalingsspieren die zo onaangenaam zijn dat de patiënt angst krijgt voor water (een oude Engelse naam voor rabiës is hydrophobia, watervrees). Soms overlijdt de patiënt al tijdens zo'n krampaanval. Menselijke slachtoffers zijn in theorie besmettelijk (als ze anderen zouden bijten) maar besmetting van artsen of verplegend personeel komt eigenlijk in de praktijk niet voor.

Hierna ontstaan verlammingsverschijnselen en uiteindelijk coma en overlijden. Er zijn wereldwijd maar enkele mensen beschreven die rabiës hebben overleefd.

In Europa vormen vossen het voornaamste reservoir van rabiës. Besmette vossen kunnen door beten, krabben of likken het virus overbrengen op andere zoogdieren (inclusief de mens). De laatste decennia heeft België verschillende golven van besmettingen gekend. Maar door intensieve vaccinatiecampagnes bij vossen kwam rabies sinds 1999 in Begië niet meer voor. In 2001 werd België officieel vrij van rabiës verklaard en in 2003 werd de laatste vaccinatiecampagne uitgevoerd.
In veel Europese landen zijn gevallen van rabiës bij vleermuizen vastgesteld, maar in België bleken alle 77 analyses die tussen 1989 en 2003 werden uitgevoerd, negatief. De rabiësvirussen waarmee vleermuizen besmet kunnen zijn, zijn van een ander genotype dan het klassieke rabiësvirus, maar kunnen ook worden overgedragen op de mens.

Wat moet men doen om besmetting te voorkomen?

Rabiës kan bij dieren aanleiding geven tot een “furieuze” vorm, waarbij de razernij op de voorgrond staat (hondsdolheid), maar kan ook aanleiding geven tot een “paralytische” vorm, waarbij het aangetaste dier er slap en verlamd uitziet. Het strelen van makke dieren in het wild (o.a. apen in tempels, vossen) is daarom absoluut af te raden. In de ontwikkelingslanden wordt de ziekte bij de mens meestal door (zwerf)honden overgebracht, maar ook door katten, apen en vleermuizen. Overdracht via vele andere warmbloedige diersoorten is ook mogelijk. Men moet dus vermijden om (tamme) wilde dieren, straatdieren en zelfs andere niet vertrouwde huisdieren te strelen. Ook dode dieren mag men niet aanraken. Kinderen moeten in dit verband extra in het oog worden gehouden.

Preventieve vaccinatie

Preventieve vaccinatie is mogelijk. Deze wordt niet aangeraden van gewone reizigers gezien het kleine risico.
Volgende personen moeten wel overwegen om zich op voorhand te laten vaccineren:
• De klassieke risicogroepen, zoals dierenartsen, jagers, boswachters, veehandelaars, verzorgers van proefdieren, landbouwdeskundigen enz
• Ook archeologen, speleologen en reizigers die een fietstocht ondernemen vormen een risicogroep die best steeds gevaccineerd wordt.
• Personen die langere tijd in afgelegen landelijke ontwikkelingsgebieden zullen rondreizen of gaan wonen, en niet binnen de 24 uur over een (op celcultuur bereid) vaccin en binnen de 48 uur (of uiterlijk tot 7 dagen) over humane of moderne gezuiverde paarden-antirabiës immunoglobulinen kunnen beschikken.
• Ouders van kinderen die gaan wonen in een risicogebied, dienen – in functie van de lokale omstandigheden – ernstig te overwegen om hun kinderen preventief te laten vaccineren.
Huisdieren daar moeten ten allen tijde gevaccineerd zijn.
Indien men een correcte preventieve vaccinatie heeft gekregen, met de laatste rappelinenting niet langer dan 5 jaar geleden, blijft op het ogenblik van een verdachte dierenbeet een beperkt “postblootstelling” vaccinatieschema met 2 injecties wel noodzakelijk, namelijk 1 injectie op dag 0 en één op dag 3, zonder RIG!

Het preventieve vaccinatieschema bestaat uit 3 inentingen van 1 ml, op één maand tijd (op dag 0, 7, 21 of 28). Het vaccin wordt in de bovenarmspier gegeven. De eerste herhalingsinenting wordt gegeven na 1 jaar en vervolgens om de 5 jaar (of in sommige gevallen in functie van de antistofhoeveelheid, in het labo te testen).
Een dosis kost 48 € (niet terugbetaald door het RIZIV)
Een controle van de antistoffenaanmaak kan worden uitgevoerd door de Rabiësafdeling van het Wetenschappelijk Instituut voor Volksgezondheid - Louis Pasteur (vanaf 10 dagen na de 3de injectie, best na 4-6 weken). Deze controle is in elk geval nodig bij personen met verminderde afweer of onder behandeling met immuundeprimerende medicatie.

Wat moet men doen na contact met een mogelijk besmet dier?

De incubatietijd bij mensen varieert van 2 tot 8 weken , maar soms ook 1 jaar of zelfs meerdere jaren. Gedurende de incubatieperiode is er geen mogelijkheid om de infectie vast te stellen. Dit kan enkel als het reeds te laat is (klinische fase of post mortem).

• In geval van een beet door een mogelijk besmet dier is het van het grootste belang om de wonde (hoe klein of hoe oppervlakkig ook) grondig met water en zeep uit te wassen (omdat het virus zeer gevoelig is voor detergenten), goed te spoelen, en vervolgens grondig te ontsmetten (met Iodium/Isobetadine of met ethanol 60-80 %).

• Men dient zo snel mogelijk een arts te raadplegen om vaccinatie te overwegen.
Het probleem in ontwikkelingslanden is dat men meestal enkel over minderwaardige vaccins bereid op dierlijke hersenen beschikt, en dat de juiste immunoglobulinen er niet voorradig zijn.
In geval van een verdachte beet kan men ook beslissen om onmiddellijk huiswaarts te keren, of kan men via de reisverzekering of door bemiddeling van de ambassade een vaccin en immunoglobulinen proberen te bekomen.

Vaccinatie na blootstelling

rabiesvaccin-180.jpg
Vaccinatie na blootstelling wordt aangeraden:
• bij beten en krabletsels;
• in sommige omstandigheden na contact met beschadigde huid (bestaande huidletsels) of contact via de slijmvliezen: bv. likken, manipulaties en dissectie, in het oog terechtgekomen speeksel, het verzorgen van een persoon besmet met rabiës;
• aerosol: uitzonderlijke vorm van besmetting die vooral voorkomt in een erg besmette omgeving (laboratoria, grotten waarin besmette vleermuizen huizen);
• elk direct contact met vleermuizen moet als verdacht worden beschouwd;
• toevallige inoculatie met een levend vaccin dat bestemd is voor huisdieren en wilde dieren.

Niettegenstaande met klem aangeraden wordt binnen de 24 uur met vaccinatie te starten, kan men, wanneer men tijdens een reis op verdachte wijze gebeten werd, zelfs na thuiskomst nog met inenten (vaccinatie én immunoglobulinen) starten, na overleg met de artsen van de Dienst Rabiës van het Pasteur Instituut van Brussel, omdat de incubatietijd meestal vrij lang is.

Vaccinatie na blootstelling bij iemand die vooraf niet werd gevaccineerd:
• Humane immuunglobulinen tegen rabiës (20 IU/kg): zo snel mogelijk toedienen na de besmetting, en zoveel mogelijk als een lokale injectie diep in én rond de bijtwonde, de rest intramusculair aan de contralaterale zijde.
• Plus Vaccinatie in de deltoïdeusspier: ofwel 1 injectie op dag 0, 3, 7, 14 en 30; Ofwel 2 injecties op dag 0, één op dag 7 en op dag 21, met controle van de antistoffenaanmaak op dag 30 (dit schema gebruikt men indien er geen humane immuunglobulinen tegen rabiës voorhanden zijn).

Vaccinatie na blootstelling bij iemand die eerder volledig werd gevaccineerd:
• Geldig gevaccineerd met aantoonbare antistoffen (recente antistofcontrole) of binnen de maand na het eind van de preventieve vaccinatie (zonder antistofcontrole): 1 dosis.
• Zonder antistofcontrole: 2 dosissen, op dag 0 en dag 3.

Het vaccin en immunoglobulinen worden enkel afgeleverd door de Dienst Rabiës van het Pasteur Instituut van Brussel, Engelandstraat 642 te 1180 Brussel (02/373 31 50, WWW.pasteur.be).
Een medisch voorschrift met vignet van de ziekteverzekering dient te worden opgestuurd of via fax 02/373.32.86. Het vaccin wordt dan aan de behandelende arts toegestuurd.

Lees ook: Hondenbeten: altijd een arts raadplegen

Verplichte vaccinatie van honden en andere huisdieren

• Aangezien rabiës nog voorkomt bij in het wild levende dieren in buurland Duitsland, moeten honden in het deel van België waar het risico op herintroductie van het virus het grootst is, gevaccineerd worden tegen rabiës. Deze vaccinatieplicht geldt in het gebied ten zuiden van de Samber en de Maas. Na vaccinatie ontvangt de eigenaar een vaccinatiecertificaat en wordt de vaccinatie ingeschreven in het paspoort van het betreffende dier.
• Ook honden die mee gaan kamperen, waar ook in België, moeten tegen rabiës gevaccineerd zijn, omdat er bij het kamperen meer kans is op contact met in het wild levende dieren.
• Vaccinatie tegen rabiës is ook verplicht voor alle honden, fretten en katten die van of naar andere landen worden vervoerd. De meeste gevallen van rabiës bij honden in de ons omringende landen, betreffen illegaal ingevoerde dieren uit landen waar rabiës veel voorkomt en waar geen vaccinatieplicht geldt, zoals Marokko. De vaccinatie en de geldigheidsduur van de vaccinatie moeten verplicht ingeschreven worden op het Europees paspoort van het dier.
• Voor reizen van andere Europese landen naar België is de vaccinatie tegen hondsdolheid niet vereist voor gezelschapsdieren jonger dan 3 maanden afkomstig uit een land vrij van hondsdolheid ( Nederland, Groot-Hertogdom Luxemburg, Portugal, Italië, Tsjechische Republiek, Denemarken, Zweden, Finland, Griekenland, Cyprus, Malta, Noorwegen, Zwitserland) op voorwaarde dat er een bijkomende verklaring is dat ze sinds hun geboorte op dezelfde plaats hebben verbleven en niet in contact zijn geweest met dieren verdacht van hondsdolheid. Zweden, het Verenigd Koninkrijk, Ierland en Malta weigeren de invoer van gezelschapsdieren jonger dan 3 maanden. Frankrijk, Italië, Polen en Cyprus weigeren dieren jonger dan 3 maanden die niet gevaccineerd zijn tegen hondsdolheid.
• Voor reizen naar België vanuit een land dat geen lid is van de Europese Unie moeten honden en katten tevens een bloedtest ondergaan tenminste 30 dagen na de vaccinatie en 3 maanden vóór de reis. Deze bloedtest dient uitgevoerd te zijn in een door de Europese Unie erkend labo. Dieren jonger dan drie maanden afkomstig uit een niet-Europees land, worden niet toegelaten.
Mensen die met hun huisdier naar een land buiten de Europese Unie reizen, moeten een bloedtest laten uitvoeren vóór het vertrek. Deze bloedtest moet ten minste 30 dagen na de vaccinatie gebeuren. Het bloedstaal moet onderzocht worden in het Wetenschappelijk Instituut van de Volkgsgezondheid (Pasteur). Het resultaat van dit onderzoek dient bij terugkeer naar België te worden voorlegd.

Lees ook: Breng geen hondsdolheid mee uit het buitenland


Laatst bijgewerkt: juli 2022

Artikels over gezondheid in je mailbox? Schrijf je in op onze nieuwsbrief en ontvang een gratis e-book met gezonde ontbijtrecepten.

eenvoudig terug uit te schrijven
Wij verwerken jouw persoonsgegevens conform het Privacy-beleid van Roularta Media Group NV.
volgopfacebook

volgopinstagram