Richtlijn palliatieve sedatie

Laatst bijgewerkt: augustus 2019
inf-euthanasie.jpg

nieuws De Koninklijke Maatschappij ter Bevordering van de Geneeskunst (KNMG) heeft in december 2005 een Richtlijn Palliatieve Sedatie gepubliceerd.
Uitgangspunt is dat palliatieve sedatie een vorm van normaal medisch handelen is. Het doel van palliatieve sedatie is het verlichten van het lijden van de patiënt. Het verlagen van het bewustzijn is het middel om dat doel te bereiken.
Er zijn geen aanwijzingen dat palliatieve sedatie die volgens de regels van de kunst wordt toegepast het leven bekort. Indien zorgvuldig uitgevoerd, kan de sedatie de belasting van de patiënt juist verminderen, waardoor het stervensproces eerder wordt vertraagd dan versneld.
Dit betekent dat palliatieve sedatie en euthanasie duidelijk van elkaar moeten worden onderscheiden. Palliatieve sedatie is de eerste keus als de patiënt niet langer wil lijden, maar zijn leven ook niet wil (laten) beëindigen. Palliatieve sedatie, in de definitie van de KNMG, kan nooit ingezet worden om het leven te bekorten. Dit houdt in dat palliatieve sedatie geen ‘sluiproute’ kan zijn om hetzelfde doel te bereiken als euthanasie (namelijk levensbekorting), maar dan in een langzamer tempo en zonder inachtneming van de voor euthanasie geldende eisen en procedures. Palliatieve sedatie is derhalve geen ‘slow euthanasia’.
Mocht de patiënt niet langer willen leven, dan kan dat reden zijn om in gesprek te gaan over euthanasie en juist niet over sedatie.
De patiënt kan goede redenen hebben om aan euthanasie de voorkeur te geven boven palliatieve sedatie, bijvoorbeeld omdat de patiënt in de laatste dagen van zijn leven wil blijven communiceren met zijn naasten en daarom niet wil komen in een situatie van verlaagd bewustzijn of omdat de patiënt niet wil sterven in een gesedeerde toestand.

Volgens de KNMG mag palliatieve sedatie alleen toegepast worden wanneer er sprake is van één of meer onbehandelbare ziekteverschijnselen (zogenaamde refractaire symptomen). Een symptoom is of wordt refractair als geen van de conventionele behandelingen (voldoende snel) effectief zijn en/of deze behandelingen gepaard gaan met onaanvaardbare bijwerkingen.
Het overlijden moet op redelijk korte termijn, dat wil zeggen binnen één tot twee weken, worden verwacht.
Een bijzondere situatie ontstaat wanneer de patiënt refractaire symptomen heeft, maar het overlijden niet binnen één tot twee weken wordt verwacht, bijvoorbeeld bij aandoeningen als spierdystrofie, amyotrofische lateraal sclerose (ALS) en cardiale- of respiratoire insufficiëntie. In die situaties kan kortdurende of intermitterende palliatieve sedatie worden toegepast.
De KNMG hecht zeer veel belang aan de deskundigheid van de behandelende arts, zowel wat de medische indicatie (het vaststellen van refractaire symptomen), de aard van de sedatie (tijdelijk, intermitterend of continu) en de keuze van de juiste middelen en doseringen betreft.
De arts, die verantwoordelijk is voor de behandeling, maar onvoldoende kennis heeft over palliatieve sedatie, over het behandelen van refractaire symptomen en/of onzeker is over de juistheid van de indicatie, moet de juiste deskundige consulteren. Dit is bij voorkeur een palliatief consulent.
Toch meent det KNMP dat de raadpleging van een extern arts geen verplichting is, indien de behandelende arts over de nodige deskundigheid beschikt. Dit is een belangrijk verschil met euthanasie waarin, zowel volgens de Nederlandse als de Belgische wetgeving, steeds een extern arts moet geraadpleegd worden.
Bij de beslissing om tijdelijke of internitterende sedatie toe te passen bij een niet-terminaal patiënt, moet wel een extern deskundige, bij voorkeur door een palliatief consulent, geraadpleegd worden.
Indien de patiënt wilsbekwaam is, is haar of zijn toestemming een absolute vereiste. Als de patiënt wilsonbekwaam is, is toestemming van diens vertegenwoordiger vereist.
In acute situaties kan de tijd voor dergelijk overleg ontbreken, en kan de arts op eigen initiatief sederen. Dit is een belangrijk onderscheid met euthanasie waarbij altijd de (schriftelijke) toestemming van de patiënt vereist is.
Bij diepe en continue sedatie tot aan het overlijden wordt geen (kunstmatig) vocht toegediend. De sedatie zelf mag geen argument vormen om het kunstmatig toedienen van voeding en vocht medisch zinloos te achten.
Het is van groot belang dat sedatie proportioneel wordt toegepast, dat wil zeggen dat die mate van bewustzijnsdaling wordt bereikt die nodig en voldoende is voor de gewenste mate van symptoombestrijding. Omdat bewustzijnsverlies in beginsel onwenselijk is, moet de sedatie niet verder gaan dan nodig.
Het benzodiazepine Midazolam is de eerste keuze. Morfine mag niet gebruikt worden voor palliatieve sedatie.

De richtlijn ‘Palliatieve sedatie’ is hier te vinden (.pdf)

zie ook artikel : Palliatieve sedatie (of terminale sedatie)



verschenen op : 21/04/2006 , bijgewerkt op 08/08/2019


pub