Waarop moet u letten als u orale antistollingsmiddelen moet nemen?

Laatst bijgewerkt: december 2009

nieuws Indien u orale anticoagulantia of antistollingsmiddelen (in de volksmond ‘bloedverdunners’) moet nemen, dan moet u een aantal voorzorgsmaatregelen in het oog houden. Meestal worden daarvoor cumarinederivaten of vitamine-K-antagonisten voorgeschreven.

Hoe wordt deze medicatie gegeven?
Deze geneesmiddelen moeten één keer per dag worden ingenomen.
U neemt de medicatie het best ‘s avonds in, steeds op een vast tijdstip. Als u ‘s morgens uw bloed laat controleren kan eventueel dezelfde avond nog een aanpassing van de dosis gebeuren.
Verander nooit de toedieningswijze of de dosis van de medicatie zonder het akkoord van uw arts. Een slecht aangepaste therapie kan belangrijke problemen veroorzaken.
Als het innemen een keer vergeten wordt, kan de uitslag verstoord zijn en dan duurt het weer enkele dagen om die goed te krijgen.
De medicatie 3 tot 4 uur te laat innemen kan geen kwaad. Indien u toch de dosis vergeten bent, noteer de datum en zeg het aan uw dokter bij de volgende test. Als u meer dan 1 dosis mist, vraag advies aan uw arts.

Hoe lang wordt deze medicatie gegeven?
De behandeling met orale antistollingsmiddelen moet minstens drie tot zes maanden worden voortgezet, afhankelijk van de omstandigheden van de veneuze trombose en eventuele risicofactoren. Een veneuze trombose zonder duidelijke aanleiding (een zogenaamde idiopathische of niet-uitgelokte VTE) zal men bijvoorbeeld vaak langer behandelen dan een trombose na een operatie of zwangerschap.
Bij een tweede trombose, wanneer er aanwijzingen zijn op een posttrombotisch syndroom (PTS) of een levensbedreigende eerste trombose kan een langere (soms zelfs levenslange) behandeling nodig zijn.

Waarom moet het bloed gecontroleerd worden?
Tijdens een behandeling met antistollingsmiddelen moet het bloed optimaal ontstold worden, niet teveel, maar ook niet te weinig. Teveel antistolling kan immers aanleiding geven tot bloedingen, te weinig antistolling verhoogt de kans op bloedklontervorming.
Alle mensen zijn niet even gevoelig voor de werking van deze middelen. Sommige mensen bijvoorbeeld moeten 1 of 2 tabletten per dag nemen, anderen hebben aan een half tabletje genoeg. Ook kan voor iemand de behoefte aan antistollingsmiddel in de loop van de tijd veranderen. Eerst heeft iemand bijvoorbeeld aan 1 tablet genoeg, later moet hij of zij dan af en toe 2 tabletten op een dag innemen. Door allerlei bijkomende ziektes of bij het gebruik van andere medicijnen kan de behoefte aan antistollingmiddelen veranderen. Om al deze redenen is het nodig om regelmatig het bloed te laten controleren om het aantal in te nemen tabletten vast te laten stellen.

Waarop moet u letten tijdens de behandeling?
Het bloed wordt ontstold waardoor u meer kans op bloedingen heeft. De frequentie van bloedingen is afhankelijk van intensiteit en stabiliteit van de ontstolling. Bovendien hebben bepaalde risicopatiënten een grotere kans op bloedingen, zoals bijvoorbeeld patiënten met hoge bloeddruk, kanker en diegene die recent een operatie hebben ondergaan.
Bepaalde tekens moeten u eraan doen denken dat uw bloed te sterk ontstold is. Raadpleeg dan zo snel mogelijk uw arts:
- Neusbloedingen
- Tandvleesbloedingen tijdens het poetsen van de tanden
- Frequente blauwe plekken
- Aanwezigheid van bloed in de stoelgang, urine of fluimen
- Zwarte stoelgang, donkerbruine urine
- Plotse gezichts- of gehoorstoornissen, verlammingsverschijnselen
- Hoofdpijn, braken, bewustzijnsstoornissen na een val of verwonding.






pub