Dieren in ziekenhuizen

Laatst bijgewerkt: oktober 2015

dossier De Hoge Gezondheidsraad pleit in een advies voor het toelaten van gezelschapsdieren (honden en katten) tot rusthuizen, psychiatrische instellingen en instellingen voor chronisch zieken.
De aanwezigheid van gezelschapsdieren in verzorgingsinstellingen moet steeds gebeuren in het kader van een project dat goed is voorbereid, georganiseerd en begeleid, en moet door schriftelijke procedures die door de instelling zijn goedgekeurd, worden geregeld. Deze aanwezigheid kan enkel heilzaam zijn indien het dier binnen de verzorgingsinstelling zijn plaats vindt. Voor deze praktijk zouden de volgende beperkingen gelden:
• De eventuele gevaarlijkheid van het dier
• De hinder voor mensen die niet van het dier houden, er bang van zijn, of er allergisch tegen zijn.
• De mogelijkheid dat de band tussen het dier en de patiënt onderbroken wordt als gevolg van een wijziging in de behandeling van de patiënt.

De meest heilzame en gemakkelijkst te plannen manieren waarop een dier zich in een verzorgingsinstelling zou kunnen bevinden, is
• het toelaten van dieren van buiten: ofwel komen de dieren van de patiënten/ bewoners op bezoek in een specifiek lokaal ofwel komen vrijwilligers, via verenigingen die hun een ad hoc opleiding aanbieden, met hun dier bij de patiënten/ bewoners op bezoek.
• het houden van gemeenschappelijke dieren

De HGR meent dat de toegang van gezelschapsdieren tot acute verzorgingsinstellingen moet worden verboden, tenzij er een gemotiveerd tegenadvies van het Comité voor Ziekenhuishygiëne van de desbetreffende verzorgingsinstelling bestaat. In geval van afwijking op het verbod zal de directie van de instelling verantwoordelijk zijn, op advies van het Comité voor Ziekenhuishygiëne, voor het treffen van aangepaste maatregelen om het binnenlaten van het dier in het ziekenhuismilieu correct te beheren. In het bijzonder gaat het erom een reglementaire schriftelijke procedure op te stellen om het risico van overdracht van infectieziektes van het dier aan de patiënt tot een minimum te herleiden. Dit reglement moet onder andere duidelijk vermelden welke zones toegankelijk zijn voor de dieren, en welke de toegelaten toegang- en contactmodaliteiten zijn.

Mogelijke voordelen van gezelschapsdieren

labrador-jong-160-.jpg
• Een gezelschapdier kan in een verzorgingsinstelling de revalidatie van een gebrek vergemakkelijken, of het nu gaat om een motorisch, zintuiglijk of cognitief gebrek of een gedragstekort.
• Aansporing tot beweging voor bejaarden of personen met een motorisch deficit; de aanwezigheid van het dier bevordert en stimuleert immers de mobiliteit.
• Stimulering van de sociale contacten en de communicatie: overgang, “sociale brug”. Vermindering van het gevoel van eenzaamheid; het dier geeft de indruk “te luisteren”.
Structurering van het tijdverdrijf: dankzij het dier kan de persoon die ervoor zorgt zijn tijd en ruimte indelen. Bijbrengen van verantwoordelijkheidsgevoel.
• Verlenen van een gevoel van zekerheid en troost aan de patiënten.
• Vergemakkelijken van de zintuiglijke contacten (met name de tastzin)
• Het kan heilzaam zijn voor het psycho-sociale welzijn van de patiënt. De aanwezigheid van een dier zou de fysieke en geestelijke gezondheid van de patiënt rechtstreeks en/of onrechtstreeks kunnen beïnvloeden.
• Het gezelschapsdier kan ook worden beschouwd als een doeltreffend “overgangsobject” bij zware pathologieën of palliatieve zorg.
• Verbetering van het zelfbeeld; het dier kan aan de persoon die ervoor zorgt enige waardigheid teruggeven.

Mogelijke nadelen van gezelschapsdieren

• Het gezelschapsdier kan drager zijn of worden van infectie verwekkende kiemen. Er zijn tot op heden geen epidemies vastgesteld die een gevolg zijn van de aanwezigheid van gezelschapsdieren in het ziekenhuis. Er zijn wel punctuele gevallen beschreven.
• Wegens het risico van infectieziektes en wegens de met hun onderhoud samenhangende eisen moet nauw contact met vogels en nieuwe gezelschapsdieren, zoals reptielen, knaagdieren, schildpadden... worden vermeden.
• Er moet rekening worden gehouden met het feit dat het leven in een instelling tot gevolg heeft dat men ruimten met anderen moet delen. Het kan echter gebeuren dat een patiënt bang is van het dier of er tegen allergisch is.
• Er moet ook voor het dier worden gezorgd wanneer de persoon in kwestie tijdelijk of definitief niet in staat is ervoor te zorgen, bv. wegens hospitalisatie, verandering van rusthuis omwille van de evolutie van de gezondheidstoestand of zelfs overlijden.



verschenen op : 18/07/2007 , bijgewerkt op 28/10/2015


pub