Hoe omgaan met geleidelijk gehoorverlies op oudere leeftijd?

Laatst bijgewerkt: september 2019

dossier

Veel 50-plussers horen minder goed: ze merken dat ze zwakke of hoge geluiden niet goed meer horen en dat gesprekken soms moeilijk verstaanbaar zijn in aanwezigheid van achtergrondgeluid zoals muziek.

Deze zogenaamde ouderdomsslechthorendheid (presbyacusis) ontwikkelt zich vaak zo langzaam dat je het zelf nauwelijks merkt. Het is een normaal verouderingsverschijnsel. Wanneer het gehoorverlies als storend wordt ervaren in het sociaal verkeer, omdat je gesprekken moeilijker kunt volgen, moeite hebt om de telefoon te verstaan enz., verdient het aanbeveling om niet te lang te wachten met een hoortoestel omdat het leren omgaan en bedienen van het toestel meer moeite kost naarmate je ouder wordt.

123-oudere-man-doof-oor-170_170-09.jpg
Gehoorverlies begint vanaf 30 jaar
Vanaf het dertigste jaar neemt het gehoor per decennium af met ongeveer 7 decibel in de lage frequenties en met ongeveer 18 decibel in de hoge frequenties. Vanaf 30 jaar zouden tonen hoger dan 17 000 Hz niet meer te horen zijn. Toch krijgen de meeste mensen er pas vanaf hun 60ste of 70ste jaar echt last van. Presbyacusis doet zich voor bij circa één op de vijf mensen tussen de vijftig en zestig, circa één op de drie tussen zestig en zeventig en bij de helft van alle mensen boven de zeventig.
De ernst van deze vorm van slechthorendheid en het tijdstip waarop je er last van krijgt, verschillen van persoon tot persoon. De aandoening komt iets vaker voor bij mannen dan bij vrouwen.

Signalen van gehoorverlies
• Je merkt dat het volgen van een gesprek lastig wordt. Je hoort wel dat iemand tegen je praat, maar wat hij of zij zegt is niet duidelijk.

• Je moet mensen regelmatig vragen te herhalen wat ze net gezegd hebben.

• Je hebt moeite om in een theater, bioscoop of een openbare gelegenheid goed te horen en te verstaan

• Vooral in een rumoerige omgeving is het moeilijk de ander te verstaan, bijvoorbeeld als meerdere mensen tegelijk praten of als de televisie aanstaat.

• Het kost moeite om iemand die stil praat, zich achter je of in een andere ruimte bevindt, te verstaan.

• De radio en tv moeten steeds luider.

• Telefoneren wordt moeilijker.

• Je hoort de deurbel of de telefoon niet

• Zachte geluiden zijn slecht te horen, maar harde kunnen juist erg hinderlijk zijn.

• Het is lastig om te bepalen uit welke hoek een geluid komt.

• Misschien merk je dat je met één oor beter hoort dan met het andere oor.

Naast het gehoorverlies kunnen ook andere klachten gepaard gaan met (ouderdoms)slechthorendheid:
• oorsuizen of -piepen;
• de geluiden worden vervormd gehoord, soms doffer en soms erg scherp;
• hoge tonen worden minder goed gehoord
• harde geluiden kunnen als hinderlijk worden ervaren;
• Ook het richtinghoren kan gestoord zijn, m.a.w. men weet niet waar geluiden vandaan komen. Hierdoor wordt het verstaan in een lawaaierige omgeving moeilijker.

Wanneer je deze signalen merkt, is het zinvol om een arts te raadplegen. Je kan daarvoor bij je huisarts terecht die je indien nodig zal doorverwijzen naar een neus-, keel- en oorarts of naar een audioloog in een hoorcentrum om een gehoortest te laten uitvoeren om de ernst van het gehoorverlies in te schatten en na te gaan of met een hoortoestel een eventuele verbetering kan worden verwacht.

Ook wanneer je nog geen signalen van gehoorverlies hebt maar ouder bent dan 55 en nog nooit een hoortest hebt laten doen, is een audiometrisch onderzoek zinvol. Hoe slechter we horen, hoe moeilijker het wordt om het te verhelpen; slechter horen wordt een gewoonte en onze hersencellen reageren ook zo.

Wanneer ben je slechthorend?

123-oudere-man-doof-3-oor-170_09.jpg
Men spreekt van slechthorendheid als je aan je beste oor een gehoorverlies hebt van ongeveer 30 decibel. Bij een gehoorverlies van 90 decibel is er sprake van doofheid. Om je een idee te geven: een normaal gesprek is ongeveer 60 decibel. Vanaf een verlies van 40 decibel in één oor kom je in aanmerking voor terugbetaling van een hoortoestel door de ziekteverzekering.

Categorieën gehoorverlies
0 tot en met 15 dB
Normaal gehoor. Er zijn geen nadelige effecten.

15 tot en met 30 dB
Zeer licht gehoorverlies. Soms moeite met het verstaan van zachte spraak en enige moeite met het volgen van een conversatie in rumoerige omgevingen (receptie, restaurant).

30 tot en met 40 dB
Licht gehoorverlies. Moeite met het verstaan van iemand op afstand (zachte spraak), de tv moet vaak harder worden gezet. Ook in rumoerige omgevingen hebt u moeite om een gesprek te volgen.

40 tot en met 60 dB
Middelmatig gehoorverlies. Mensen moeten harder praten om ze te verstaan of je moet vlakbij staan. De tv moet zeer luid worden gezet. Verstaan in een rumoerige omgeving is problematisch.

60 tot en met 90 dB
Ernstig gehoorverlies. Iemand die zich op korte afstand bevindt, moet schreeuwen om zich verstaanbaar te maken. De huisbel en telefoonbel worden regelmatig niet opgemerkt wanneer deze op enige afstand klinkt. Conversaties in een rumoerige omgeving zijn zo goed als onmogelijk.

90 dB en meer
Zeer ernstig gehoorverlies of doofheid. Alleen hele harde geluiden zijn nog waarneembaar. Een conversatie is niet meer te volgen, omdat (normale) spraak niet meer wordt gehoord.
De volgende getallen geven een indruk over de sterkte van bepaalde geluiden: de luidheid van fluisteren is ongeveer 30 dB, van normaal praten 60 dB, van schreeuwen 80 dB, van vrachtwagens 90 dB en van een boormachine 110 dB.

Oorzaken van ouderdomsslechthorendheid

Ouderdomsslechthorendheid is een vorm van perceptief gehoorverlies of neurosensoriële slechthorendheid. Dat wordt veroorzaakt door een stoornis van het binnenoor en/of de gehoorzenuw. Dat betekent dat de geluidstrillingen nog wel worden opgevangen, maar dat de signalen niet meer correct worden verwerkt en getransporteerd door de gehoorzenuw.

Een aantasting van het binnenoor zorgt niet alleen voor verzwakking van het geluid maar ook voor vervorming van geluiden: soms zijn de geluiden doffer en soms juist erg scherp. Sommige geluiden horen we dus minder goed, terwijl andere geluiden net als zeer storend kunnen worden ervaren. Dat is de reden waarom men nooit moet schreeuwen tegen slechthorende mensen. Slechthorenden hebben vaak ook meer last van omgevingslawaai waardoor het moeilijk wordt spraak in achtergrondlawaai te verstaan.

De precieze oorzaak van ouderdomsslechthorendheid is niet bekend.
• Wellicht gaat het om een combinatie van factoren, zoals een verminderde zuurstofvoorziening van de haarcellen in het binnenoor en degeneratie van haarcellen en andere structuren in het binnenoor.

• Mogelijk speelt ook aderverkalking van de bloedvaten een rol.

• Ook zijn er aanwijzingen dat roken en diabetes mellitus type 2 het risico op slechthorendheid verhogen.

• Ouderdomsslechthorendheid is vaak familiaal bepaald. In sommige families zijn er per generatie telkens een aantal personen die tussen 40 tot 50 jaar slechthorend wordt.

• Soms kunnen de gehoorbeentjes door een soort verkalking (otosclerose) vast gaan zitten, waardoor het gehoor geleidelijk vermindert. Dit is een erfelijke afwijking. De gehoorbeentjes kunnen door een operatie weer worden losgemaakt.

• Mogelijk kunnen ook bepaalde geneesmiddelen (zoals plaspillen, ontstekingsremmers) een negatieve invloed hebben.

• De langdurige of herhaalde blootstelling aan lawaai kan het proces versnellen of verergeren.

Ouderdomsslechthorendheid ontstaat altijd geleidelijk: wanneer je plots weinig of niets meer hoort in één oor, moet je zo snel mogelijk een arts raadplegen om te kijken wat er aan de hand is.

Soorten gehoorverlies

Er bestaan verschillende vormen van gehoorverlies, afhankelijk van waar het probleem zich precies situeert in het oor.

Het oor is onder te verdelen in:
1. Het buitenoor met de oorschelp en de uitwendige gehoorgang.
2. Het middenoor dat van het buitenoor wordt afgesloten door het trommelvlies. Hierin bevinden zich drie gehoorbeentjes. Dit zijn drie kleine, met gewrichtjes aan elkaar vastzittende botjes: hamer, aambeeld en stijgbeugel. Het middenoor is via de buis van Eustachius verbonden met de neus- en keelholte, waardoor de druk in het middenoor gelijk blijft aan die van de omgeving.
3. Het binnenoor met het slakkenhuis (cochlea). Dit is het eigenlijke gehoororgaan: daar waar het geluid door zenuwen wordt opgevangen en naar de hersenen wordt geleid. Dit slakkenhuis is gevuld met vloeistof en bekleed met duizenden kleine haarcellen (zintuigcellen). Het binnenoor verwerkt ook informatie over het evenwicht.

Geluidstrillingen in de lucht komen via het oor en onze uitwendige gehoorgang op het trommelvlies terecht. Het trommelvlies vangt de trillingen op en geeft deze via de gehoorbeentjes door naar het slakkenhuis. Als de gehoorbeentjes geluidsgolven doorgeven, wordt de vloeistof in het slakkenhuis in beweging gebracht en buigen de haartjes. Hierdoor wordt een chemische reactie opgewekt die de bijbehorende zenuwuiteinden activeert. Deze signalen worden via de gehoorzenuw naar de hersenen getransporteerd. Wanneer deze signalen tenslotte aan de buitenkant van de hersenen, de hersenschors, zijn aangekomen, horen we het geluid.

• Geleidingsverlies
Bij afwijkingen in het uitwendig oor (bv. door een prop oorsmeer in de gehoorgang, een beschadiging van het trommelvlies…) of in het middenoor (bv. door een middenoorontsteking), dan worden de geluiden niet goed naar het slakkenhuis doorgegeven en wordt gesproken over een geleidingsverlies. De geluiden klinken dan zachter.
Deze vorm van gehoorverlies is meestal tijdelijk. Soms gaat het vanzelf over, soms moeten je oren worden uitgespoten of uitgezogen of is een operatie nodig.

• Waarnemings- of Perceptieverlies
Bij afwijkingen in het slakkenhuis (cochleair gehoorverlies) of de gehoorzenuw wordt gesproken over waarnemings- of perceptieverlies. De geluiden klinken dan niet alleen zachter, maar kunnen ook vervormd worden, waardoor ze soms niet normaal klinken. Harde geluiden kunnen pijnlijk of onaangenaam zijn.
Oorzaken kunnen zijn: erfelijkheid, veroudering, lawaai, medicijnen, ziekte (bijvoorbeeld de ziekte van Ménière), een slecht functionerende gehoorzenuw (brughoektumor) of niet goed functionerende hersenen.
Perceptieve verliezen zijn blijvend. Een hoortoestel kan in de meeste gevallen uitkomst bieden.

• Gemengd verlies
Van een gemengd verlies spreekt men, wanneer er zowel een geleidingsverlies als een perceptieverlies is.

afb-anatom-oor-170_600_09.jpg

Gehooronderzoek

Bij een gehooronderzoek of audiometrie wordt de soort en de ernst van het gehoorverlies gemeten. Er zijn vele soorten gehoortesten (o.m. toonaudiometrie, spraakaudiometrie, hersenstamaudiometrie). In combinatie met elkaar geven deze testen een goed inzicht in het gehoorverlies.

• Toonaudiometrie
Het toonaudiogram maakt duidelijk in hoeverre je tonen van verschillende luidheid en hoogte kunt horen. Tijdens de test krijgt u via een koptelefoon verschillende piepjes te horen die afwisselend hard, zacht, hoog en laag zijn. Hierbij geef je steeds aan of je het geluidje hoort. Beide oren worden afzonderlijk getest.

Ook kan er een meting worden gedaan waarbij er naast de koptelefoon een trilblokje achter uw oor wordt geplaatst. Via het bot direct achter het oor kunnen geluidstrillingen worden overgebracht naar het slakkenhuis en de gehoorzenuw; dit wordt beengeleiding genoemd. Met de beengeleidingstest kan worden vastgesteld in hoeverre je tonen van verschillende luidheid en hoogte in het slakkenhuis kunt horen.

Tenslotte kan een meting worden gedaan waarbij u door de koptelefoon aan één kant een ruis hoort. Door bijvoorbeeld ruis op je rechteroor te laten horen, wordt voorkomen dat het geluid aangeboden op je linkeroor wordt opgevangen door je rechteroor.

• Spraakaudiometrie
Bij gehoorverlies neemt ook het vermogen af om gesproken woorden te verstaan. Om er achter te komen hoe groot het verlies aan spraakverstaan nu feitelijk is, krijg je via de koptelefoon een reeks losse woorden te horen waarbij gevraagd wordt om zo goed mogelijk na te zeggen wat verstaan is. Deze woorden worden steeds zachter gemaakt, net zo lang tot er nauwelijks meer iets van wordt verstaan.
Het is vooral dit spraakaudiogram dat duidelijk maakt of je baat kan hebben van het gebruik van een hoortoestel.

• Richtinghorentest
Een richtinghorentest maakt duidelijk in hoeverre je kunt bepalen waar een geluid vandaan komt. Dat lukt alleen als beide oren (met een hoortoestel) nagenoeg even goed functioneren. Daarom kan deze test worden gebruikt bij de evaluatie van de hoortoestelaanpassing.

Tijdens de test krijg je geluiden te horen via diverse luidsprekers die om je heen zijn geplaatst. Je moet steeds aangeven uit welke richting (luidspreker) het geluid afkomstig is.

• Hersenaudiometrie (BERA/BEAP-hoortest)
BERA (Brainstem Evoked Response Audiometry) of BEAP (Brainstem Auditory Evoked Potentials)-onderzoek is een hoortest die zenuwactiviteit als reactie op geluid meet. Deze test geeft informatie over het functioneren van het slakkenhuis en de gehoorzenuw. Met de BERA-hoortest kan je hoordrempel voor de hoge tonen worden vastgesteld. Ook kunnen eventuele stoornissen van het gehoorzenuw worden opgespoord.

Voor de test worden er drie of vier elektrodes op je (voor)hoofd en achter je oren geplakt. Vervolgens hoor je via een koptelefoon klikkende geluiden van verschillende sterktes. Via de elektroden wordt de zenuwactiviteit als reactie op het geluid bepaald.

Zelftests op internet

Op internet zijn diverse hoortests te vinden waarmee je zelf je gehoor kunt testen en die een goede aanwijzing geven van gehoorverlies.
www.hoortest.nl
www.beterhoren.nl
www.oorcheck.nl

Fluisterspraaktest
De fluisterspraaktest is een betrouwbare test om gehoorverlies in te schatten. Deze test kan door de huisarts worden uitgevoerd, maar kan jeeventueel ook zelf met de hulp van een familielid uitvoeren.

• De fluisterspraaktest wordt uitgevoerd op 60 centimeter afstand van het te testen oor. De test kan zowel zittend als staand worden uitgevoerd. Zorg dat je op gelijke hoogte met de testpersoon staat of zit.

• Ga achter de testpersoon zitten (of staan) om liplezen te voorkomen.

• De testpersoon moet de gehoorgang van één oor afsluiten.

• Vraag de testpersoon te herhalen wat hij hoort.

• Fluister op armlengteafstand zo duidelijk mogelijk, zonder de stembanden te gebruiken.

• Fluister per oor zes combinaties van drie cijfers en letters.
Vermijd combinaties met B en D, M en N, H en A, omdat deze tot verwarring kunnen leiden. Voorbeelden van combinaties zijn: ene oor: 3F6, G7L, O7S, 2K4, 8S5, U8X; andere oor: F5C, Z3L, 6K7, 3S8, 2R9, X4U.

• Als de testpersoon een combinatie niet goed herhaalt, noem de combinatie dan niet opnieuw.

• De test is afwijkend als de testpersoon meer dan vier (van de zes) combinaties niet herhaalt. Er is dan een gemiddeld gehoorverlies van 30 dB of meer.

Gevolgen van slechthorendheid

123-hoorapparaat-doof-200_09.jpg

Veel ouderen die slecht horen voelen zich buitengesloten en raken geïsoleerd. Uit onderzoek is gebleken dat mensen met een gehoorstoornis meer psychische problemen hebben dan horenden van dezelfde leeftijd. De meest voorkomende verschijnselen zijn wantrouwen, achterdocht, agressie, depressiviteit en lusteloosheid. Deze verschijnselen worden vaak ten onrechte verward met geestelijke achteruitgang als gevolg van bijvoorbeeld dementie.


Wat kan je doen tegen ouderdomsslechthorendheid?
Er bestaat tot nu toe geen enkele behandeling die de slechthorendheid kan genezen of terugdraaien. Maar er bestaan wel een aantal hulpmiddelen en tips die je kunnen helpen om de problemen te verminderen.

Hoorapparaat
Vanaf een gehoorverlies van 40 decibel in één oor kom je in aanmerking voor terugbetaling van een hoortoestel door de ziekteverzekering.
Hoorapparaten zijn nog steeds niet echt populair. Nochtans is het belangrijk om bij gehoorverlies niet te lang te wachten met een hoorapparaat. Hoe eerder je met gehoorrevalidatie begint, hoe sneller je hersenen zich zullen aanpassen en je zal wennen aan het hoorapparaat en des te groter is de kans dat het functieverlies omkeerbaar is.

Er bestaan vele soorten en maten hoortoestellen. Sommige toestellen versterken vooral hoge tonen, andere versterken meer de lage tonen of de middentonen. De meeste hoortoestellen hebben bovendien instelmogelijkheden met betrekking tot de maximale versterking, de demping van (plotseling optredende) harde geluiden, de filtering van achtergrondgeluiden enz.
Nieuwe technische mogelijkheden volgen elkaar in hoog tempo op, zoals bijvoorbeeld afstandsbediening, automatische luidheidregeling en programmeerbaarheid voor meer dan één instelling. Toch moet je er rekening mee houden dat alle hoortoestellen hun beperkingen hebben en dat zij nooit zo goed zullen werken als het normaal horende oor. Een slechthorende wordt dus, zelfs met de beste hoortoestellen, nooit normaalhorend.

Andere hulpmiddelen en maatregelen
• De akoestiek van een kamer is te verbeteren door het aanbrengen van absorberend materiaal, bijvoorbeeld een tapijt op de vloer, gordijnen aan de vensters, enz.

• Er bestaan allerlei hulpmiddelen voor slechthorenden, zoals telefoons, GSM’s en deurbellen met geluidsversterking en/of lichtsignalen, wekkers met lichtsignalen, vibraties al dan niet in combinatie met biepgeluiden enz.

• Er bestaan allerlei hulpmiddelen voor het beter horen van televisie en radio. Zo bestaan er bv. draadloze systemen die het geluid rechtstreeks in je oren brengen via een hoofdtelefoon. Sommige systemen zijn speciaal ontworpen voor dragers van een hoorapparaat.

zie ook artikel : Hoorapparaten: wacht er niet te lang mee als u minder goed hoort

Tips voor slechthorenden

• Vertel mensen die met je praten dat je slecht hoort. Leg hen eventueel uit hoe ze het best met jou kunnen praten (b.v. niet hard praten, langzaam praten, met het gezicht naar je toe praten).

• Wees opmerkzaam, let niet alleen op de mond van de spreker maar ook op het hele gezicht/lichaam.

• Wees zelf geduldig en vraag vriendelijk om herhaling als je iets niet hebt verstaan.

• Doe niet alsof je iets verstaan heeft als dat niet het geval is. Hierdoor ontstaan vaak misverstanden. Zorg dat je altijd papier en potlood bij de hand hebt.

• Probeer in gezelschap naast iemand te gaan zitten die duidelijk praat en die je op de hoogte wil houden van het gesprek. Als je een groepsgesprek niet kunt volgen, ga dan naast iemand zitten met wie je zelf graag praat.

• Zonder je niet af, maar probeer zoveel mogelijk op uitnodigingen voor een feestje, een bijeenkomst enz. te gaan.

• Als je niet kan meepraten, voel je dan niet meteen buitengesloten.

Tips voor vrienden en familie
(Deze tips gelden ook wanneer mensen een hoorapparaat dragen)
• Je bent makkelijker te verstaan als de slechthorende kan zien wat je zegt. Zorg er steeds voor dat je met je gezicht in het licht staat om je gezichtsuitdrukkingen en mondbewegingen beter zichtbaar te maken.

• Vermijd kauwen of roken terwijl je spreekt – het is dan moeilijker om te verstaan wat je zegt en bijna onmogelijk om spraak af te zien. Praat niet vanachter je krant of met je hand voor je mond.

• Je hoeft niet te schreeuwen. Harde geluiden kunnen zelfs erg storend zijn.

• Praat niet té snel. Spreek normaal en articuleer duidelijk zonder te overdrijven.

• Probeer in een groep om de beurt te praten en elkaar niet te onderbreken. Door elkaar praten wordt als een mengelmoes ervaren.

• Probeer een rustige plek te vinden om te praten. Probeer achtergrondlawaai tijdens een gesprek te vermijden. Zet de televisie uit en sluit openstaande ramen om verkeerslawaai te verminderen. 

Meer lezen 
www.kno.nl
www.hoorprofiel.be
www.een-en-al-oor.be
www.hoorzaken.nl
www.hoorstichting.nl
www.oorakel.nl
www.nvvs.nl
www.hoorwijzer.nl






pub