Doorbraak bij parkinson: behandeling via darmen
nieuws Chinese wetenschappers hebben een nieuwe behandeling tegen parkinson ontwikkeld die via de darmen werkt. Ze gebruiken daarvoor aangepaste bacteriesporen die beschermende stoffen tot in de hersenen kunnen brengen. Bij muizen met parkinson zorgde de behandeling voor minder bewegingsproblemen en minder verlies van zenuwcellen. Een veelbelovende ontdekking, al moet nog blijken of de behandeling ook bij mensen werkt.
Lees ook: Ziekte van Parkinson: symptomen en verloop
Lees ook: Leuvense onderzoekers verklaren link tussen darmontsteking en parkinson
Wat is het verband tussen de darmen en parkinson?
Bij de ziekte van Parkinson sterven geleidelijk zenuwcellen af die dopamine aanmaken, een stof die helpt om onze bewegingen te regelen. Dat leidt tot typische klachten zoals trillende handen, stijve spieren, trager bewegen en evenwichtsproblemen.
Maar parkinson heeft niet alleen gevolgen voor de bewegingen. Veel mensen met de ziekte hebben ook last van constipatie, buikpijn of een opgeblazen gevoel. Onderzoekers vermoeden al langer dat veranderingen in de darmflora kunnen bijdragen aan het ontstaan of de ontwikkeling van parkinson. De darmen en de hersenen staan immers voortdurend met elkaar in verbinding via de zogenaamde darm-hersenas. Hoe die wisselwerking precies verloopt, is nog niet helemaal duidelijk. Wetenschappers van de Zhengzhou University in China besloten daarom te onderzoeken of ze parkinson ook via de darmen kunnen behandelen.
Lees ook: Vijftien veel voorkomende misverstanden over de ziekte van Parkinson
Hoe werkt de nieuwe behandeling?
De bacteriesporen dienen daarbij als een soort transportmiddel. Ze zijn bestand tegen maagzuur en kunnen daardoor veilig de darmen bereiken. Daar komt hun buitenste laag los. De eiwitten uit die laag vormen piepkleine deeltjes die de toegevoegde stoffen meenemen. Die deeltjes kunnen vanuit de darmen in de bloedbaan terechtkomen en vervolgens ook de bloed-hersenbarrière passeren. Dat is een beschermende barrière die normaal veel stoffen uit de hersenen weert.
Op die manier kunnen de stoffen de hersenen bereiken, waar ze zenuwcellen moeten beschermen tegen schade door oxidatieve stress. Daarbij tasten schadelijke chemische reacties de cellen aan, wat kan leiden tot het afsterven van dopamineproducerende zenuwcellen bij parkinson.
Lees ook: De hersen-darm-as (gut-brain-axis): bepalend voor stemming en gedrag
Betere bewegingen en minder verlies van zenuwcellen
De onderzoekers testten de nieuwe behandeling bij muizen met parkinson. De resultaten waren veelbelovend: de behandelde muizen bewogen beter en hadden minder moeite om hun bewegingen te coördineren dan de dieren die geen behandeling kregen. Ze deden het zelfs ongeveer even goed als muizen die levodopa kregen, een veelgebruikt medicijn tegen Parkinson. Maar er was nog een opvallend verschil: de nieuwe behandeling beschermde de dopamineproducerende zenuwcellen beter tegen afsterven dan levodopa.
Vooral dat laatste is interessant, want de huidige medicijnen tegen parkinson helpen vooral om klachten zoals trillen en stijve spieren te verminderen. Ze kunnen het verlies van zenuwcellen echter niet stoppen. De nieuwe behandeling zou mogelijk ook op dat ziekteproces zelf kunnen inwerken, al is dat voorlopig alleen bij muizen onderzocht.
Wanneer kan de behandeling bij mensen worden gebruikt?
Voorlopig is de behandeling alleen getest in het laboratorium en bij muizen. Of ze ook bij mensen werkt en veilig is, moet nog blijken. Bovendien heeft iedereen een andere darmflora, waardoor de behandeling mogelijk niet bij alle patiënten hetzelfde effect zal hebben.
Toch zijn de onderzoekers hoopvol. Hun aanpak zou het in de toekomst makkelijker kunnen maken om geneesmiddelen via de darmen tot in de hersenen te brengen. Patiënten zouden die dan gewoon via de mond kunnen innemen, zonder injecties of andere ingrijpende ingrepen. Maar voor het zover is, is nog heel wat onderzoek nodig.
Lees ook: Van een gezonde buik tot een gezond brein
Bronnen:
https://www.technologynetworks.com
https://pmc.ncbi.nlm.nih.gov












