Wereld Autisme Dag: Vroege opsporing van autisme is cruciaal.

Laatst bijgewerkt: augustus 2019

nieuws Vroege opsporing van autisme is cruciaal

Ongeveer 1 kind op 150 lijdt in ons land aan een autismespectrumstoornis (ASS). Deze stoornis kenmerkt zich hoofdzakelijk door moeilijkheden in sociale interactie en communicatie, beperkte interesses en repetitief gedrag.
Op dit ogenblik kan men zeer vroeg een diagnose stellen waardoor vroegtijdige zorg kan gegeven worden, wat bepalend is voor de ontwikkeling van deze kinderen en de levenskwaliteit van het gezin. Nu gebeurt dat meestal pas als het kind al op de basisschool zit, terwijl de eerste tekenen al op veel jongere leeftijd merkbaar zijn, vaak al vanaf de leeftijd van 1 jaar.

Volgens een rapport van de Hoge Gezondheidsraad van begin 2014 schiet de hulpverlening in ons land echter schromelijk te kort.
• De wachttijden bij de referentiecentra die de diagnose van ASS moeten stellen, lopen meestal op tot meerdere maanden.
• Na de diagnose hebben de gezinnen het moeilijk om wegwijs te raken uit het voorgestelde zorgaanbod, dat onder verschillende bevoegdheden en sectoren valt.
• De opvanginstellingen niet altijd voldoende op de hoogte van de beste behandeling voor deze stoornis.
• De gezinnen worden geconfronteerd met dagelijkse moeilijkheden bij het opvoeden van een kind met een autisme-stoornis en talrijke obstakels bij het zoeken naar de meest geschikte opvangvoorziening.

Aanbevelingen
• Het rapport van de Hoge Gezondheidsraad benadrukt in de eerste plaats het belang van gezinsbegeleiding die moet aanvangen zodra ouders hun bezorgdheid over de ontwikkeling van hun kind uiten, soms vanaf de leeftijd van 12 maanden. Vanaf het begin moeten de gezinnen (ouders en broers en zussen) ondersteund en begeleid worden bij het zoeken naar middelen om hun kind op te voeden en moeten ze als partner betrokken worden bij de zorgverlening.
• Het advies wijst op het belang van vroegtijdige opsporing en screening en bespreekt het belang van een systematische screening. De Raad beveelt onder andere aan om professionelen van het jonge kind beter op te leiden rond de signalen van autisme. De referentiecentra voor autisme zouden in samenwerking met andere diagnosecentra binnen een termijn van 3 maanden een diagnose van deze jonge kinderen moeten kunnen stellen.
• Zodra de diagnose gesteld wordt, moeten de gezinnen naar de aangepaste interventies worden doorverwezen.
• In het huidig systeem is er vooral een tekort aan diensten voor gezinsbegeleiding en interventie thuis, en aan coördinatie en samenwerking tussen de verschillende overheden en sectoren. De inclusieve opvang zou ook kunnen worden versterkt door een betere opleiding van professionelen in de kinderopvang.
De bestaande centra beschikken bovendien niet altijd over de nodige middelen om een intensieve opvang te verstrekken.
Tot slot zijn ze niet altijd transparant over de aangewende methodes en is er onvoldoende kwaliteitsgarantie: de opvang wordt vaak niet geëvalueerd en van bepaalde gebruikte methodes is de werkzaamheid niet wetenschappelijk bewezen.
• Kinderen met ASS moeten kunnen genieten van een aangepaste, geïndividualiseerde onderwijsmethode waarbij rekening wordt gehouden met hun specifieke educatieve behoeften. In België volgen kinderen met een ASS zowel het gewoon onderwijs als de verschillende types in het buitengewoon onderwijs. Een betere samenwerking kan ervoor zorgen dat meer kinderen in het gewoon onderwijs worden geïntegreerd, mits ze van specifieke middelen kunnen genieten. De leerkrachten moeten hiervoor worden opgeleid.




pub