Veilig autorijden na een beroerte

Laatst bijgewerkt: augustus 2019

nieuws Jaarlijks krijgen 20.000 Belgen een beroerte. Een deel van hen ondervindt hiervan blijvende gevolgen, maar wil toch opnieuw met de auto kunnen rijden. Momenteel kruipen velen zonder de nodige screening weer achter het stuur, waardoor ze een gevaar op de weg kunnen zijn. Volgens onderzoek aan de KU Leuven staan neurologische aandoeningen op de tweede plaats in de risicolijst om betrokken te geraken bij een ongeval, na alcoholmisbruik. Wie een neurologische aandoening heeft, heeft 75 procent meer kans om een ongeval te hebben dan iemand zonder aandoening. In die groep zitten wel alle aandoeningen opgenomen, dus niet alleen een beroerte.

Wettelijk gezien mag je na een beroerte gedurende zes maanden niet met de auto rijden. Na die zes maanden moet je je rijgeschiktheid laten evalueren bij het CARA, het Centrum voor Rijgeschiktheid en Voertuigaanpassingen van het Belgisch Instituut voor de Verkeersveiligheid. Jaarlijks doen zo’n 160 mensen dat. Terwijl er naar schatting elk jaar enkele duizenden mensen na een beroerte terug met de auto beginnen te rijden.
Bij de grote meerderheid is het rijbewijs dus niet aangepast aan de werkelijke medische toestand.
Een belangrijke oorzaak van die ‘nalatigheid’ bij artsen en patiënten is volgens onderzoeker Hannes Devos het ontbreken van een goede voorspellende test. Slechts in goed de helft van de gevallen wordt de rijgeschiktheid juist ingeschat.

Volgens Devos bestaan er nochtans enkele eenvoudige tests om de rijvaardigheid vrij correct in te schatten. In de test voor verkeersherkenning wordt aan de patiënt gevraagd om een aantal verkeersborden bij verkeerssituaties te plaatsen. Bij de visueel-cognitieve test moet de patiënt twee wagens die in een bepaalde richting van een rondpunt wegrijden, matchen met kompaskaarten die de richting van de wagen weergeven. Bij de aandachtstest wordt aan de patiënt gevraagd 25 cirkels met elkaar te verbinden, waarbij hij voortdurend moet afwisselen tussen cijfers en letters.

Devos wilde ook weten hoe je de rijvaardigheid van patiënten met een beroerte het best kan trainen vooraleer ze weer de baan opgaan. 83 personen met een beroerte werden in twee groepen ingedeeld en kregen twee soorten revalidatietraining. Eén groep kreeg ‘contextuele training’: zij oefenden in een rijsimulator. Het voordeel van zo’n simulator is dat je ‘levensechte’ gevaarlijke manoeuvres kan oefenen zonder echt iemand in gevaar te brengen: inhaalbewegingen, kleine kindjes die plots oversteken, …

De andere groep kreeg ‘niet-contextuele training’: aan de hand van spelletjes oefenden ze specifieke cognitieve processen die van belang zijn bij autorijden. Na vijftien uur training was er duidelijk verbetering merkbaar bij beide groepen. Maar bij een nieuw testmoment zes maanden later, tijdens de officiële evaluatie voor rijgeschiktheid in CARA, bleven de personen die in een rijsimulator revalideerden, goed presteren, terwijl de anderen het veel minder goed deden. Zeven op tien slaagden, tegenover vier op tien ‘niet-contextueel’ getrainden.






pub