Betere opsporing van baarmoederhalskanker door HPV-test

Laatst bijgewerkt: augustus 2019

nieuws Het aantal gevallen van baarmoederhalskanker kan drastisch omlaag, als het huidige bevolkingsonderzoek anders wordt uitgevoerd. Dat zegt de Nederlandse Gezondheidsraad.
Op dit moment wordt bij de opsporing van baarmoederhalskanker via de zogenaamde paptest gezocht naar afwijkende cellen in een uitstrijkje die kunnen wijzen op een voorstadium van baarmoederhalskanker. In Vlaanderen wordt aanbevolen dat alle vrouwen van 25 tot 64 jaar zich om de drie jaar laten screenen met een uitstrijkje.
Maar dit type van test werkt minder goed bij jonge vrouwen en spoort bepaalde types van baarmoederhalskanker minder goed op. Behalve de gevoeligheid laat ook de specificiteit van deze test te wensen over. In verhouding tot het aantal vrouwen bij wie baarmoederhalskanker wordt voorkomen, worden er veel afwijkingen gevonden die zich nooit tot kanker zouden ontwikkelen.
Daarom adviseert de Gezondheidsraad het uitstrijkje te onderzoeken op de aanwezigheid van het Humaan Papillomavirus (HPV), het virus dat de kanker veroorzaakt. Alleen als dat virus aanwezig is, zou er nader onderzoek moeten volgen. Door op deze manier de screening te richten op de groep vrouwen met het meeste risico op baarmoederhalskanker, is de kans op tijdige opsporing van kanker veel groter.

Baarmoederhalskanker wordt veroorzaakt door een infectie met een hoogrisicotype van het Humaan Papillomavirus (HPV). Overdracht van HPV heeft plaats tijdens seksueel contact. Uiteindelijk krijgen de meeste vrouwen (en mannen) in hun leven ten minste een keer een HPV-infectie. Het virus komt het meest voor bij jongeren. Meestal gaat de infectie vanzelf over en leidt deze niet tot afwijkingen. Hoe langer HPV-infecties bestaan, des te groter is de kans dat er veranderingen in de oppervlaktecellen ontstaan en op den duur een voorstadium van baarmoederhalskanker.
Wanneer een voorstadium van baarmoederhalskanker wordt ontdekt, kan behandeling voorkomen dat kanker ontstaat. Als er al sprake is van kanker maakt vroege opsporing effectieve behandeling in de meeste gevallen mogelijk.

Sinds enkele jaren worden meisjes ingeënt tegen HPV. Toch blijft screening onverminderd nodig.
In de eerste plaats om de huidige doelgroep (die niet gevaccineerd is) te blijven beschermen. Het duurt nog veertig jaar voordat de laatste lichting niet-gevaccineerde vrouwen de leeftijd bereikt waarop het screeningsprogramma eindigt.
In de tweede plaats omdat pas net met vaccinatie begonnen is waardoor veel vrouwen nog niet beschermd zijn. Het duurt nog zo’n vijftien jaar voordat de eerste gevaccineerde meisjes de leeftijd bereiken waarop het screeningsprogramma begint.
Ten derde veroorzaken de twee typen van het virus (HPV) waartegen gevaccineerd wordt, samen ongeveer 70 procent van de baarmoederhalskankers. Dat betekent dat vaccinatie met de huidige vaccins niet alle gevallen kan voorkomen. Bovendien laat lang niet iedereen die tot de doelgroep hoort, zich vaccineren.

Volgens de Gezondheidsraad zouden alle vrouwen tussen de dertig en de veertig iedere vijf jaar moeten getest worden, vrouwen tussen de veertig en de zestig iedere tien jaar (dus screenen in de leeftijd van 30, 35, 40, 50 en 60 jaar). Boven de 40 jaar is de kans op nieuwe besmetting gering. Omdat het ruim tien jaar duurt voor zo’n besmetting uitmondt in kanker, hoeven vrouwen ouder dan 40, als ze niet zijn besmet met HPV, zich nog maar elke tien jaar te laten testen.
De Gezondheidsraad bepleit ook een proef naar de (kosten)effectiviteit van thuistests, als alternatief voor het uitstrijkje bij de huisarts.



verschenen op : 02/07/2011 , bijgewerkt op 13/08/2019


pub