Trombose en de anticonceptiepil

Laatst bijgewerkt: March 2014

dossier De anticonceptiepil geeft een verhoogd tromboserisico. Uit studies is gebleken dat vrouwen die de pil nemen een 4 maal hogere kans op een trombose hebben dan vrouwen die de pil niet nemen. Voor de zogenaamde 3e generatiepil ligt de kans op een trombose nog hoger.

De anticonceptiepil bevat vrouwelijke geslachtshormonen, zoals oestrogeen en progestageen.
• Pillen van de eerste generatie (zoals Microgynon-50, Neo-Stediril, Neogynon 21, Stediril-D, Ovostat, Binordiol, Fysioquens, Ovanon) bevatten veel oestrogeen en een progestageen. Een aantal jaren na de introductie bleek dat vrouwen door veel oestrogeen meer kans op trombose hadden.

• De pillen van de tweede generatie (zoals Microgynon-30, Stediril 30, Mini Pregnon, Ministat, Modicon, Neocon, Lovette, Trigynon, Trinordiol, Trinonvum) bevatten daarom minder oestrogeen, en meestal dezelfde soort progestageen als die van de eerste generatie. De betrouwbaarheid is, ondanks het lagere gehalte aan oestrogeen, onveranderd.

• Pillen van de derde generatie (zoals Marvelon, Mercilon, Gracial, Ovidol, Femodene, Harmonet, Meliane, Minulet, Tri-Minulet, Triodeen, Cilest) bevatten een nieuw soort progestageen (desogestrel, gestodeen of norgestimaat).

Daarnaast zijn er verschillen in de pillen al naargelang hoe men ze tijdens de cyclus toepast: de éénfasepil, de tweefasenpil en de driefasenpil. Al deze pillen bevatten zowel oestrogeen als progestageen, maar in verschillende verhoudingen per fase.
De zogeheten minipil bevat alleen progestageen. Ook de prikpil bevat alleen progestageen.

Verhoogd tromboserisico

De pil verhoogt het risico op veneuze trombose, niet alleen in het been maar ook in de overige aders van het lichaam. Het basisrisico om trombose te ontwikkelen is vrij laag maar stijgt met de leeftijd. Van de 100.000 vrouwen die de pil niet gebruiken, krijgen er per jaar 5 (onder de 20 jaar) tot 100 (40-49 jaar) een trombose. Van de 100.000 vrouwen die een pil van de tweede generatie nemen, krijgen er per jaar 20 (onder de 20 jaar) tot 400 (40-49 jaar) een trombose. Deze pil geeft dus een viermaal zo hoog risico . Bij vrouwen die pillen van de derde generatie gebuiken is het risico op veneuze trombose zes tot achtmaal zo hoog als bij vrouwen die geen pil gebruiken. Daarom verdienen pillen van de tweede generatie de voorkeur.

Bij pillen met uitsluitend progestageen, zoals de minipil of de prikpil, is het risico op trombose ten opzichte van het basisrisico ongeveer tweemaal zo hoog . In vergelijking met de tweedegeneratiepil (viermaal zo hoog risico) dus de helft.
Hoewel de pil het risico op trombose verhoogt, gaat het gelukkig om kleine aantallen per jaar.
In overleg met uw arts kunt u beslissen welke pil voor u het beste is.

Pil, erfelijkheid en trombose

Een aantal erfelijke afwijkingen vergroot het risico op trombose. Van deze erfelijke afwijkingen komt de ‘factor V Leiden-mutatie’ (APC-resistentie) het meeste voor, bij ongeveer vijf procent van de bevolking. Iemand met deze erfelijke afwijking, begint al met een viermaal zo hoog basisrisico om trombose te ontwikkelen dan zonder deze stollingsafwijking. Als een vrouw met deze stollingsafwijking de pil gebruikt, neemt het al verhoogde basisrisico behoorlijk toe en is haar risico op een trombose veel groter dan je zou verwachten. Het risico is dan ongeveer 30 tot 40 maal hoger dan een vrouw zonder deze afwijking die geen pil gebruikt. Vrouwen tot 20 jaar lopen dan een risico van 150 per 100.000, vrouwen van 40-49 jaar tot 3000 per 100.000 bij een tweedegeneratiepil. Bij een derdegeneratiepil is dit risico nog hoger.
Hoewel dat niet echt is bewezen wordt er van uit gegaan dat dit risico op trombose bij pilgebruik ook extra verhoogd is bij een tekort aan proteine C, proteine S of antitrombine. Bij de andere oorzaken van trombofilie zijn er hierover nog onvoldoende gegevens beschikbaar.

zie ook artikel : Bloedstollingsafwijkingen en verhoogde neiging tot trombose (trombofilie)

Als er sprake is van verschillende personen met veneuze trombose in de familie, kan het zinvol zijn om dit te laten onderzoeken.
Nog steeds is het risico op trombose bij jonge vrouwen met een erfelijke risicofactor in absolute zin laag (1 à 2 op de 1.000 tot 20 jaar), maar bij vrouwen ouder dan 40 jaar is het hoger. De keuze voor een andere vorm van anticonceptie valt zeker in deze leeftijdsgroep te overwegen.

U hebt geen trombose (gehad) en u neemt de pil of overweegt dat te gaan doen

De kans dat u een trombose krijgt door de pil, is het hoogst in het eerste jaar nadat u met de pil bent begonnen. Maar het risico blijft hoger dan gemiddeld zolang u de pil gebruikt. Zodra u stopt, wordt uw risico weer normaal.
Indien u een erfelijke aanleg tot trombose hebt (trombofilie) of indien trombose in uw familie voorkomt, moet u extra voorzichtig zijn. Vrouwen met trombofilie als gevolg van APC resistentie of factor V Leiden (en zeker diegenen die de mutatie voor APC-resistentie dubbel dragen, homozygoot, van beide ouders overgeëerfd), of met een proteine C, proteine S of antitrombine tekort, moeten alternatieve vormen van anticonceptie overwegen, zeker naarmate u ouder bent.
Indien toch voor de pil wordt besloten, dient alleszins gekozen te worden voor een zgn. tweede generatiepil en niet voor een derde generatiepil gezien bij deze laatste het tromboserisico nog hoger ligt.

zie ook artikel : Bloedstollingsafwijkingen en verhoogde neiging tot trombose (trombofilie)

U hebt een trombose (gehad) en u gebruikt de pil

Of de pil daadwerkelijk eerder leidt tot een nieuwe trombose staat niet vast, maar daar gaat men wel van uit.

• Tijdens de antistollingsbehandeling mag u wel de pil gebruiken omdat u dan in principe beschermd bent tegen het optreden van een nieuwe trombose. De pil is dan zelfs aangeraden om een zwangerschap tijdens gebruik van orale antistollingspillen te voorkomen.

• Vrouwen die kort na het starten van de pil een trombose doormaken, mogen geen pil meer gebruiken gezien de kans hoog is dat dan opnieuw een trombose zou optreden.
Indien toch voor de pil wordt besloten, dient alleszins gekozen te worden voor een zgn. tweede generatiepil en niet voor een derde generatiepil gezien bij deze laatste het tromboserisico nog hoger ligt.

Alternatieven voor de pil

Niet-hormonale vormen van anticonceptie zoals het condoom en het koperspiraal hebben geen enkele invloed op het risico op een trombose, maar ze zijn wat minder betrouwbaar in het voorkomen van zwangerschap.
Het hormoonspiraaltje bevat een lage dosis progestageen (van de tweede generatie). Alhoewel dat niet helemaal zeker is, gaat men ervan uit dat het de kans op trombose niet of nauwelijks verhoogt. Het is bijna net zo betrouwbaar als de anticonceptiepil.
Bij alle andere vormen van hormonale anticonceptie - zoals de vaginale anticonceptiering, de anticonceptiepleister en het implantatiestaafje – denkt men dat de kans op een trombose ongeveer even groot is als bij de anticonceptiepil, vanwege de samenstelling van deze middelen.

Hormoonvervangende therapie (HRT)

Minder bestudeerd dan de klassieke anticonceptiepil is de HRT die gegeven wordt aan vrouwen met overgangsklachten. Dit zijn evenwel ook hormoonpreparaten en houden dan ook een verhoging van het tromboserisico in. Ook hiermee dient voorzichtig te worden omgegaan bij vrouwen met een geschiedenis van trombose of trombofilie. Het gaat hier om preparaten zoals Climene (estradiol/cyproteronacetaat), Climodien (estradiol/dienogest), Femoston (estradiol/dydrogesteron), Fem7Sequi (estradiol/levonorgestrel), Trisequens, Aktivelle, Kliogest (estradiol/norethisteron), Premelle, Plentiva (geconj. oestrogenen/medroxyprogesteron), Premarin Plus (geconj. oestrogenen/medrogeston), en Prempak-C (geconj. oestrogenen/norgestrel).


bron: www.trombosestichting.nl, www.trombosedienst-leiden.nl ,www.hematologieklapper.nl ,Nederlandse Hartstichting - www.hartstichting.nl
verschenen op : 24/03/2010 , bijgewerkt op 07/03/2014
pub

Blijf op de hoogte!

Schrijf je in op onze nieuwsbrief:

Nee, bedankt