Lage rugpijn: wat kan u eraan doen?

Laatst bijgewerkt: oktober 2008

nieuws Lage rugpijn is erg vervelend, maar wordt meestal niet veroorzaakt door iets ernstigs. Oók niet als de pijn erg is. Het gaat bijna altijd vanzelf over. Langzamerhand krijgt u minder last en na een tijdje kunt u weer zonder pijn bewegen. Bij sommige mensen is de pijn binnen enkele dagen over, soms duurt het een paar weken. Bij anderen daarentegen wordt de pijn permanent of komt hij regelmatig terug. Men spreekt dan van “chronische lage rugpijn”: een plaag voor de patiënt, een kopzorg voor de arts en een grote hap uit het budget van de ziekteverzekering.
Lichaamsoefeningen en een snelle hervatting van de dagelijkse activiteiten zijn vaak de beste manier om van lage rugpijn af te geraken. Dat is de belangrijkste conclusie van een recente studie van het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE). In het rapport waarschuwt het KCE voor nutteloze behandelingen. Het KCE rapport heeft de wetenschappelijke bewijskracht achter vele testen en behandelingen geanalyseerd.

Het heeft meestal geen zin om de patiënt te onderwerpen aan een massa onderzoeken, zoals labotesten, radiografieën en scanners. Ze kunnen meer slecht dan goed doen. Alleen als een arts bepaalde symptomen vaststelt die kunnen wijzen op een onderliggende ernstige aandoening kunnen ze nuttig zijn.
Het KCE stelt vast dat injecties en operaties best worden vermeden. Hun nut is nog niet bewezen. Ze moeten worden voorbehouden voor zorgvuldig geselecteerde gevallen, waarbij geen enkele andere behandeling nog helpt. Er wordt nochtans vaak geopereerd in België.
Algemene conclusie is dat een juiste medische aanpak met oefeningen, een multidisciplinair programma en het zo snel mogelijk hernemen van de dagelijkse activiteiten - zelfs met nog enige pijn - het meest kans op slagen biedt. Eventueel moeten de werkomstandigheden tijdelijk aangepast. Het KCE rapport stelt dat patiënten met rugklachten meer kans maken om te evolueren naar chronische ruglijder als ze inactief blijven of niet van in het begin juist behandeld worden..

Beweging zorgt ervoor dat u eerder van uw klachten af bent. Iemand met lage rugpijn moet in beweging blijven, ondanks de pijn. De pijn is geen teken dat er iets beschadigd is. Doe het wel rustig aan: wandelen, fietsen en zwemmen zijn goede activiteiten. Als de pijn minder wordt, kunt u uw bewegingen langzaam uitbreiden. Lang achter elkaar in dezelfde houding staan of zitten kunt u beter vermijden.
• Probeer te zitten met rechte rug en ingetrokken buik. Zet bij het opstaan uw handen op de leuningen en schuif naar het puntje van uw stoel. Zet één voet vlak onder de stoel en de andere voet wat naar voren. Probeer met gestrekte rug op te staan.
Snel bukken of zwaar tillen is slecht bij lage rugpijn. Sjouwen met een zware boodschappentas of uw kind optillen, kunt u dus beter aan iemand anders overlaten.
• Draaien met de onderrug kunt u beter vermijden. Raap niet zittend iets van de grond op dat achter u ligt, maar sta op en buig door uw knieën. Opstaan uit bed doet u als volgt: eerst op uw zij rollen, liggend de benen over de rand slaan en dan uzelf met uw armen zijwaarts omhoog drukken.
Warmte kan de lage rugpijn verzachten; neem bijvoorbeeld een warme douche of gebruik een infraroodlamp.
Bedrust is meestal niet nodig, maar soms kan het niet anders. Blijf niet langer dan twee dagen in bed, anders verzwakken uw spieren. Om uw rug te helpen ontspannen, kunt u kussens onder uw knieën leggen.
Pijnstillers kunnen helpen. Ze verminderen de pijn, waardoor u zich weer gemakkelijker en soepeler kunt bewegen. Gebruik bij voorkeur paracetamol.

Neem contact op met uw huisarts:
• als de pijn, ondanks het opvolgen van de adviezen, ondraaglijk is;
• als de pijn uitstraalt naar uw been en tot onder uw knie voelbaar is;
• als u lage rugpijn heeft en daarbij een tintelend, branderig of doof gevoel in één van uw voeten of benen;
• als u lage rugpijn heeft en daarbij in één been minder kracht heeft;
• als u lage rugpijn heeft en u krijgt problemen met plassen, zoals plotseling niet meer kunnen plassen of plotseling de plas niet meer kunnen ophouden;
• als er na zes weken nog steeds geen verbetering is opgetreden.
Wanneer er andere verschijnselen zijn waarover u zich zorgen maakt, overleg dan met uw huisarts.



verschenen op : 30/11/2010


pub