Gevaren bestraling tijdens zwangerschap onderschat

Laatst bijgewerkt: augustus 2019

nieuws Het FANC, het Federaal Agentschap voor nucleaire controle, waarschuwt voor de risico’s van radiologische stralen bij zwangere vrouwen.
Ioniserende straling houdt een risico in voor het embryo en de foetus en moet in de mate van het mogelijke vanaf het ogenblik van de bevruchting worden vermeden. De grootste risico's zijn de inductie van kanker, aangeboren afwijkingen, miskramen en een aantasting van de hersenfuncties.
Dit risico hangt af van de omvang van de ontvangen dosis en van de fase van de zwangerschap, gezien de stralingsgevoeligheid het hoogst is bij embryo's en foetussen.
Gewoonlijk worden er bij diagnostische procedures relatief lage stralingsdoses aangewend. Dit is echter niet altijd het geval.
Er zijn bepaalde radiologische onderzoeken waarbij uw ongeboren kind meer aan ioniserende straling wordt blootgesteld dan andere. Dit is het geval bij onderzoeken waarbij de uterus en dus uw ongeboren kind (onderzoek van het abdomen, het bekken, de lumbale wervelkolom, de heup,...) rechtstreeks wordt of kan worden blootgesteld, bij deze waarbij meer straling nodig is (CT-scanners), of waarbij een langdurige blootstelling vereist is (radioscopie).
Bij bepaalde nucleairgeneeskundige onderzoeken kan het ongeboren kind tevens aan relatief hoge doses worden blootgesteld.

Het FANC maant dus aan tot voorzichtigheid: wanneer een vrouw (mogelijk) zwanger is, wordt haar ten zeerste aangeraden hierover spontaan met haar arts te praten. Om toevallige blootstelling van embryo's aan straling te voorkomen, is het essentieel dat het medische personeel bijzonder alert is om dit probleem te onderkennen en elke patiënt zorgvuldig te ondervragen over de mogelijkheid van een zwangerschap. Dit geldt ook voor patiënten die in het vroegste stadium van de zwangerschap zijn.
Gewoonlijk bestaat er bij een beginnende zwangerschap (eerste dagen) wanneer de dosis een bepaalde waarde overschrijdt, een risico op een spontane abortus. Onderzoek bij muizen doet vermoeden dat de gevolgen (misvormingen) ook bij mensen reeds mogelijk zijn bij een bestraling op dat ogenblik van de zwangerschap. Elke onnodige bestraling van een embryo dient dus te worden vermeden tijdens de eerste dagen na de bevruchting (en dus zelfs vóór het uitblijven van de maandstonden vermits de bevruchting plaatsvindt rond het midden van de menstruatiecyclus van de vrouw). In de praktijk is het dus belangrijk dat zowel de voorschrijvende artsen als deze die het onderzoek uitvoeren grondig navraag doen, en niet alleen om te weten of u zwanger « bent » maar ook of de « mogelijkheid » van een beginnende zwangerschap bestaat. In het tegenovergestelde geval dient u zelf spontaan de aandacht van het medisch personeel te vestigen op het feit dat u “mogelijk” zwanger bent.
Na de eerste dagen en gedurende de ganse periode van de ontwikkeling van de organen (ongeveer de eerste twee maanden van de zwangerschap) bestaat het grootste risico op misvormingen.
Vanaf de derde maand van de zwangerschap bestaat het grootste risico in een aantasting van de zich ontwikkelende hersenfuncties; deze kunnen o.a. aan de basis liggen van een mentale achterstand.
Tenslotte kan een blootstelling van het ongeboren kind aan ioniserende straling tot een verhoogd risico op kanker leiden en dit zowel tijdens de kindertijd als tijdens het volwassen leven. Dit risico neemt toe met de toename van de dosis. In tegenstelling tot eerder vermelde gevolgen, is dit een gevolg dat zich kan voordoen na een bestraling op om het even welk ogenblik van de zwangerschap.

Wanneer het onderzoek niet dringend is, zal de arts waarschijnlijk beslissen om het onderzoek uit te stellen, of om eerst een zwangerschapstest uit te voeren, of hij kan beslissen om het onderzoek te vervangen door een ander onderzoek waarbij geen ioniserende straling nodig is (echografie, magnetische resonantie beeldvorming). Wanneer het onderzoek niet kan wachten en niet vervangen kan worden door een onderzoek zonder ioniserende straling, is het vaak nog mogelijk om de techniek zodanig aan te passen dat de door het embryo ontvangen dosis aanzienlijk wordt beperkt. Dit kan gaan van het afschermen van het abdomen met een loden schort tijdens het onderzoek tot het wijzigen van de gebruiksparameters van de toestellen. Bij bepaalde radiologische onderzoeken die op het einde van de zwangerschap worden voorgesteld (bijvoorbeeld om te bepalen of een keizersnede noodzakelijk is) kan er gebruik worden gemaakt van speciale technieken waarvoor minder straling vereist is, soms zelfs bij het gebruik van een scanner die in principe een tamelijk hoge straling inhoudt.
Vele schadelijke gevolgen komen slechts voor boven een bepaalde stralingsdosis: er is geen enkel gevaar voor dergelijke gevolgen wanneer de toegediende dosis lager is dan deze drempel. Sommige kunnen al na zeer lage doses voorkomen, maar het risico dat ze zich bij deze doses voordoen, is zo klein dat het als verwaarloosbaar beschouwd kan worden vergeleken met andere risico's die men in het dagelijks leven loopt. Bepaalde gevolgen komen enkel voor bij een bestraling op een precies tijdstip tijdens de zwangerschap. Men dient zich dus te realiseren dat de blootstelling van een embryo of een foetus aan ioniserende straling niet noodzakelijk en automatisch leidt tot schadelijke gevolgen.

www.fanc.fgov.be

zie ook artikel : Straling - De bestraalde mens






pub