Bescherming zwangeren op het werk

Laatst bijgewerkt: maart 2007

nieuws Bepaalde ongezonde werkzaamheden zijn verboden voor zwangere werkneemsters of voor werkneemsters die borstvoeding geven. De wet zelf somt een aantal werkzaamheden en werkomstandigheden op die verboden zijn voor zwangere of zogende werkneemsters, zoals de blootstelling aan lawaai, hoge temperaturen, scheikundige stoffen, mechanische trillingen, gevaar voor besmetting, het dragen van zware lasten gedurende de laatste 3 maanden van de zwangerschap.
Deze werkneemsters mogen evenmin arbeid verrichten die voor hen of hun kind gevaarlijk is ten gevolge van de bijzondere omstandigheden van het werk en die eigen zijn aan het bedrijf of de gezondheidstoestand van de werkneemster.
In deze laatste gevallen stelt de bedrijfsarts vast of een bepaalde arbeid gevaarlijk is. Als dat zo is, moet de werkgever, indien mogelijk, de werkneemster een ander werk in de onderneming geven. Is dit onmogelijk, dan heb je recht op een uitkering wegens arbeidsongeschiktheid ten laste van het ziekenfonds. Om dit te verkrijgen geef je aan je ziekenfonds een bewijs van arbeidsongeschiktheid van je bedrijfsarts en een verklaring van de werkgever waaruit blijkt dat het onmogelijk is jou een ander werk te geven binnen de onderneming. Men noemt dit verlof het ‘profylactisch verlof”. Je ontvangt dan de normale ziektevergoeding, namelijk 60% van het brutoloon. Voor bepaalde arbeidsposten kan tijdens het profylactisch verlof een uitkering aangevraagd worden van het Fonds voor Beroepsziekten (90% van het begrensde loon).
In elk bedrijf waar vrouwen werken, moet systematisch en preventief een algemene risico-evaluatie gebeuren (zelfs wanneer er geen zwangere werkneemsters zijn).
Concreet zal in elk individueel geval risicovolle arbeid beoordeeld moeten worden en zal de werkgever maatregelen moeten treffen. Deze risico-evaluatie gebeurt in samenwerking
met een bedrijfsarts en het Comité voor Preventie en Bescherming op het Werk. De resultaten van deze evaluatie en de te nemen algemene maatregelen worden dan meegedeeld aan het personeel.
Deze maatregelen kunnen zijn:
- tijdelijke aanpassing van arbeidsomstandigheden of –tijden;
- aanpassing van de arbeid zelf (overplaatsing);
- tijdelijke schorsing van de arbeidsovereenkomst (of vrijstelling in geval van statutaire aanstelling).
Na deze risicoperiode loopt de tewerkstelling gewoon voort.
Moederschapsbescherming op het werk houdt tevens in dat de zwangere vrouw niet verplicht kan worden tot nachtarbeid (dat is tussen 20 uur en 6 uur) gedurende acht weken vóór de vermoedelijke bevallingsdatum. Dit kan uitgebreid worden tot andere periodes tijdens de zwangerschap of tot maximaal vier weken na de zwangerschapsrust, als een medisch attest dit aantoont. Ook hier kan de werkneemster dan tijdelijk overgeplaatst worden naar de dagploeg of wordt de uitvoering van de arbeidsovereenkomst tijdelijk geschorst.
Deze bescherming geldt zowel voor zwangeren als voor moeders tijdens de borstvoedingsperiode en dit zodra zij de werkgever van hun toestand op de hoogte brengen.
Zwangere vrouwen mogen geen overwerk presteren, d.w.z. niet langer werken dan 39 uur per week of 9 uur per dag.
De zwangere werkneemster heeft ook het recht om afwezig te zijn van het werk voor zwangerschapsonderzoek indien dit buiten de werkuren onmogelijk is. Ze moet de werkgever hiervan vooraf verwittigen en achteraf een medisch attest afgeven.






pub