Uitleg bij de resultaten van de persoonlijke score: risico op een hart-en vaatziekte

Laatst bijgewerkt: februari 2019

nieuws Ga terug naar:

zie ook artikel : Test: Bereken je risico op een hart- en vaatziekte

Uitleg bij vraag 1. Leeftijd

hartinfarct-tek-200.jpg
Leeftijd risicofactor
Oudere mensen hebben over het algemeen een grotere kans op hart- en vaatziekten. Dat heeft onder meer te maken met de stijging van de bloeddruk en het cholesterolgehalte naarmate men ouder wordt.
Hoewel de sterfte aan hart- en vaatziekten sterk toeneemt met de leeftijd, spelen hart- en vaatziekten ook een belangrijke rol in de sterfte bij personen jonger dan 65 jaar. Ongeveer 13% van alle personen die overlijden aan hart- en vaatziekten zijn jonger dan 65 jaar. Van alle personen die overleden jonger dan 65 jaar waren hart- en vaatziekten de doodsoorzaak bij 1 op de 4 mannen en bij 1 op de 5 vrouwen.

Uitleg bij vraag 2 : Bloeddruk

Bloeddruk als risicofactor

De bloeddruk wordt uitgedrukt aan de hand van twee waarden:
• De systolische bloeddruk: het eerste cijfer, het hoogste, wanneer het hart samentrekt en het bloed er uitstroomt.
• De diastolische bloeddruk: het tweede cijfer, het laagste, wanneer het hart zich ontspant en met bloed vult.

Een bloeddruk lager dan 120/80 mmHg wordt als optimaal beschouwd. Men spreekt van verhoogde bloeddruk of hypertensie wanneer de bloeddrukwaarden bij herhaaldelijk meten hoger liggen dan 140 mmHg systolisch en 90 mmHg diastolisch. De lat voor wat hoge bloeddruk is, wordt steeds lager gelegd. Momenteel wordt 125 over 85 mm kwik al als hoog-normaal beschouwd, met een licht verhoogd risico voor hart- en vaatziekten.
Deze waarden gelden voor volwassenen. Bij kinderen en jongeren worden lagere waarden gehanteerd, gerelateerd wordt aan het geslacht, de leeftijd en de lengte.

Uit de gezondheidsenquête 2004 blijkt dat 28% van de Belgen (boven 15 jaar) een hoge bloeddruk heeft.

Een hoge bloeddruk is in belangrijke mate genetisch bepaald. Op basis van tweelingenonderzoek in Nederland wordt de invloed van de genetische factor op de bovendruk geschat op 44 tot 57%, en op de onderdruk op 46 tot 63%.
De bloeddruk verhoogt ook met de leeftijd.
Andere factoren die een verhoogde bloeddruk veroorzaken of verergeren zijn o.m. overgewicht (vooral abdominaal), roken, gebrek aan lichaamsbeweging, overmatig zoutgebruik, overmatig alcoholgebruik, stress... Bovendien verhogen die risicofactoren ook de kans dat een verhoogde bloeddruk leidt tot hart- en vaatziekten.

Vaak weten mensen niet dat hun bloeddruk verhoogd is. Laat de bloeddruk daarom geregeld door uw huisarts meten. Is hij normaal, dan volstaat één keer per jaar een controle. Is hij verhoogd, dan moet dat nader opgevolgd en eventueel behandeld worden.

Lager dan 120 en 80 mmHg
uw bloeddruk is optimaal. Houden zo.

Tussen 120-139 of 80-89 mmHg
Uw bloeddruk is normaal. Als er geen andere risicofactoren bestaan, dan hebt u slechts een kleine kans op een hart- en vaatziekte.

Tussen 140-159 of 90-99 mmHg
U hebt een licht verhoogde bloeddruk of hypertensie (graad 1) en een licht tot sterk verhoogde kans op een hart- en vaatziekte, afhankelijk van de aanwezigheid van andere risicofactoren. Raadpleeg uw arts voor een gepaste behandeling wanneer ook andere risicofactoren aanwezig zijn.

Tussen 160-179 of 100-109 mmHg
U hebt een matig verhoogde bloedduk of hypertensie (graad 2) en een matig tot zeer sterk verhoogde kans op een hart- en vaatziekte. Raadpleeg uw arts voor een gepaste behandeling, zeker wanneer ook andere risicofactoren aanwezig zijn.

Gelijk of meer dan 180 of 110 mmHg
U hebt een ernstig verhoogde bloeddruk of hypertensie (graad 3) en een sterk verhoogd risico op hart- en vaatziekten, ook zonder andere risicofactoren. U moet alleszins uw arts raadplegen voor een gepaste behandeling.

zie ook artikel : Verhoogde bloeddruk (hypertensie)

Uitleg bij vraag 3: Roken

Roken risicofactor
Roken is zeer slecht voor uw bloedvaten. Het vermindert onder meer de aanvoer van zuurstof naar de hartspier. Het beschadigt ook de binnenbekleding van de bloedvaten en veroorzaakt daar ontstekingen die atherosclerose (slagaderverkalking) bevorderen.
In combinatie met andere risicofactoren (bijvoorbeeld hoge bloeddruk en hoog cholesterolgehalte in het bloed) worden de risico's extra sterk verhoogd.
Wanneer u de pil gebruikt, verhoogt roken bovendien de kans op allerlei complicaties zoals trombose, hartinfarct...

Door niet te roken kunt u de kans op hart- en vaatziekten (en vele andere ziekten) sterk verminderen. Onderzoek in Nederland heeft bijvoorbeeld aangetoond dat het aantal nieuwe patiënten met hart- en vaatziekten jaarlijks met 12% zou dalen en het aantal doden door hartziekten met 6%, als niemand zou roken.
Stoppen met roken heeft altijd een positief effect op de gezondheid, ongeacht de leeftijd, de gezondheidstoestand of hoeveel je rookt. Iemand die 10 jaar met roken is gestopt heeft een risico voor hart- en vaatziekten dat min of meer gelijk is aan dat van niet-rokers in dezelfde omstandigheden.

Volgens de Gezondheidsenquête 2004 (bij personen van 15 jaar en ouder) telt België:
• 24% dagelijkse rokers en 4% occasionele rokers,
• Het aantal rokers bij jongeren tussen 15 en 24 jaar is 26%,
• Dagelijkse rokers roken gemiddeld 17 sigaretten per dag,
• Het aantal zware rokers ((= 20 sigaretten per dag) is 10%,
• De leeftijd waarop met (regelmatig) roken wordt gestart is gemiddeld 17 jaar, 10% begon op 14-jarige leeftijd te roken,
• 68% van de huidige rokers heeft reeds tevergeefs getracht om te stoppen met roken,
• Het aantal mannen dat rookt is nog steeds groter dan het aantal vrouwen.

zie ook artikel : Homocysteïne en atherosclerose

Uitleg bij vraag 4: Diabetes als risicofactor

123m-labo-bloedtest-diab-01-17.jpg
Diabetes of suikerziekte is een ernstige en alsnog ongeneesbare aandoening waarbij het glucose- of suikergehalte in het bloed chronisch verhoogd is. Glucose is de voornaamste energiebron van de cellen. Om deze op te kunnen nemen, hebben de cellen insuline nodig. Insuline is als het ware de sleutel die de cel opent voor glucose. Wanneer er geen of onvoldoende insuline wordt geproduceerd of wanneer de insuline om één of andere reden minder werkzaam is, raakt de glucose niet in de cel en stijgt het suikergehalte in het bloed.
Dit is wat er bij diabetes gebeurt.
Er bestaan verschillende vormen van suikerziekte. De twee belangrijkste zijn diabetes type 1 (soms ook nog juveniele diabetes genoemd), en diabetes type 2 (soms ook ouderdomsdiabetes genoemd). Ongeveer 6 op 100 volwassenen lijden aan een van beide vormen van suikerziekten, vooral dan type 2. Bij mannen boven de 65 jaar zou dit aantal zelfs oplopen tot 16 op 100. Diabetes type 2, die gewoonlijk pas op oudere leeftijd optreedt en daarom ook als een typische ouderdomsaandoening werd beschouwd, wordt de laatste tijd op steeds jongere leeftijd en zelfs bij kinderen vastgesteld.

Erfelijke voorgeschiktheid is bij deze aandoening zeer belangrijk, maar ook leefstijl speelt een grote rol. Vooral abdominale obesitas en gebrek aan lichaamsbeweging zijn uitlokkende factoren. Voor wie familiaal belast is voor diabetes type 2 en/of zwaarlijvigheid geldt zeker dat het nastreven van een ‘normaal’ lichaamsgewicht de beste preventie is.
 Mensen met diabetes type 2 hebben een twee tot viermaal hogere kans op hart- en vaatziekten dan personen zonder diabetes. Diabetes en hoge bloedsuikerwaarden gaan vaak samen met zwaarlijvigheid, hoge bloeddruk en de ongunstige combinatie van een laag (goed) HDL-cholesterol, en een hoog (slecht) LDL-cholesterolgehalte. De aanpak van diabetes type 2 houdt dus meer in dan alleen maar een controle van de bloedsuikerwaarden. Bij elke diabetespatiënt dringt zich een brede cardiovasculaire aanpak op waarbij alle risicofactoren moeten behandeld worden. 

Volgende personen zouden jaarlijks hun bloedsuikergehalte moeten laten onderzoeken: 
  • Personen van 18 tot 45 jaar:
  • Bij wie eerder een verstoord bloedsuikergehalte werd vastgesteld
  • Of met twee van volgende risicofactoren: 
    - Diabetes bij vader/moeder of broer/zus 
    - BMI boven 25
    - buikomtrek boven 102 cm
    - behandeling voor hoge bloeddruk of chronische corticoïdenbehandeling.
  • personen van 45 tot en met 64 jaar, als aan één enkele van die risicofactoren is voldaan.
  • iedereen die ouder is dan 65 jaar, ongeacht of er bijkomende risicofactoren zijn.

Volgende vrouwen zouden jaarlijks hun bloedsuikergehalte moeten laten onderzoeken:
 
  • vrouwen van 18 tot 45 jaar:
  • Bij wie eerder een verstoord bloedsuikergehalte werd vastgesteld
  • Of die eerder zwangerschapsdiabetes hadden
  • Of met twee van volgende risicofactoren: 
    - Diabetes bij vader/moeder of broer/zus 
    - een bevalling van een baby van meer dan 4,5 kg
    - BMI boven 25
    - buikomtrek boven 102 cm
    - behandeling voor hoge bloeddruk of chronische corticoïdenbehandeling.
  • vrouwen van 45 tot en met 64 jaar, als aan één enkele van die risicofactoren is voldaan.
  • iedere vrouw die ouder is dan 65 jaar, ongeacht of er bijkomende risicofactoren zijn.
Uiteraard moet ook iedereen met klachten die diabetes type 2 doen vermoeden (dorst, herhaalde urinaire infecties…) getest worden.

Wat het resultaat van de test ook is, de risicofactoren moeten worden behandeld, zowel om het cardiovasculaire risico te verminderen als om de evolutie naar diabetes te voorkomen of uit te stellen.

Uitleg bij vraag 5 en 6: Hartziekte: Een hartziekte als risicofactor

Als er aanwijzingen zijn dat u atherosclerose hebt of daarvoor behandeld wordt, dan hebt u uiteraard een verhoogd risico op hart- en vaatziekten. Ook wanneer u al eens een hart- of herseninfarct hebt gehad, hebt u een verhoogde kans op een nieuw infarct: een deel van de hartspier is beschadigd en ook de oorzaken (aderverkalking of atherosclerose) zijn veelal nog aanwezig.

Als u ouders, broers of zussen heeft die vóór hun 60ste levensjaar een hart- of vaatziekte kregen, dan heeft u zelf ook een verhoogde kans op hart- en vaatziekten. Studies wijzen er op dat het genetisch risico op hart- en vaatziekten slechts gedeeltelijk verklaard kan worden door de erfelijkheid van bekende risicofactoren zoals hypertensie en cholesterol. Er spelen dus zeker nog andere genetisch bepaalde factoren mee die de hartfunctie regelen.
Aan onze genetische voorbeschiktheid kunnen we niets veranderen, maar we kunnen er wel rekening mee houden. Het is dan extra belangrijk dat u probeert andere risicofactoren te verminderen.

Uitleg bij vraag 7: Cholesterol

123-atheroscler-chol-thromb-10-15.jpg

Een verhoogd cholesterolgehalte in het bloed is één van de belangrijke risicofactoren voor het ontstaan van hart- en vaatziekten. Naar schatting zouden bijna 7 Belgen op 10 een te hoog cholesterolgehalte hebben. Toch blijken heel veel mensen hun cholesterolgehalte niet te kennen. Uit de gezondheidsenquête 2004 bleek bijvoorbeeld dat 4 Belgen op 10 ouder dan 15 jaar nog nooit hun cholesterolgehalte hebben laten meten.


Oorzaken verhoogd cholesterol

Cholesterol is een vetachtige stof die onmisbaar is voor de normale werking van het lichaam. Bij baby’s, kinderen, zwangere vrouwen en moeders die borstvoeding geven, is de behoefte aan deze vetstof zelfs vrij groot.
Het lichaam maakt ruim drie vierden van de cholesterol zelf aan, vooral in de lever. De rest haalt het lichaam uit de voeding. De lever zorgt er normaal voor dat er een evenwicht is tussen de cholesterol die hij zelf aanmaakt en de cholesterol die opgenomen wordt uit de voeding. Verschillende factoren kunnen dat evenwicht verstoren en ervoor zorgen dat het cholesterolgehalte in het bloed te hoog wordt. Daardoor kunnen de bloedvaten op termijn dichtslibben en ontstaat aderverkalking.


Sommige mensen hebben een aangeboren neiging tot een veel te hoog cholesterolgehalte in het bloed (‘familiale hypercholesterolemie’). Dit is een dominant overervende monogene aandoening. Er bestaan nog andere, al dan niet dominante, erfelijke aandoeningen die het vetmetabolisme kunnen verstoren. Als bij uw directe familieleden, ouders, broers of zussen, ooms of tantes, al voor het zestigste jaar hypercholesterolemie of hart- en vaatziekten voorkomen, is het verstandig dit aan uw arts te melden.
 Daarnaast kan een vette voeding (vooral verzadigde vetten) het cholesterolgehalte van uw bloed verhogen. Eet gezond en kies bij voorkeur voor voedingsmiddelen met onverzadigde vetten (zoals bijvoorbeeld in plantaardige olie, vis of noten) en eet veel groenten en fruit.
Andere factoren die een invloed hebben op het cholesterolgehalte zijn o.m. gebrek aan beweging, overgewicht, roken en sommige ziekten (bijvoorbeeld lever- en nierziekten, suikerziekte...).


Goede en slechte cholesterol

Het cholesterolgehalte wordt gemeten met een bloedonderzoek. Niet alleen de totale concentratie cholesterol in het bloed is belangrijk, maar ook het preciese type cholesterol. Er bestaan namelijk verschillende types van cholesterol, naargelang het eiwit waaraan het cholesterol gekoppeld is om getransporteerd te worden in het bloed. De twee belangrijkste types zijn het HDL- en het LDL-cholesterol.
• LDL of Low Density Lipoprotein is het eiwit in het bloed dat cholesterol van de lever naar de organen brengt. Als er veel LDL-deeltjes aanwezig zijn, wordt er veel cholesterol naar de organen gevoerd en kan die in de bloedvaten ophopen. Daarom wordt dit ‘slechte’ cholesterol genoemd.
• DL of High Density Lipoprotein verwijdert de vetstof uit de organen en brengt die terug naar de lever. Daarom wordt deze HDL-cholesterol ‘goede’ cholesterol genoemd, die je ook beschermt tegen hart- en vaatziekten.

Het bepalen van uitsluitend het totale cholesterolgehalte is dus weinig zinvol. Zo is het mogelijk dat iemands totaal cholesterolgehalte verhoogd is door een verhoogd HDL-cholesterolgehalte, terwijl het LDL-cholesterolgehalte normaal is. In dit geval is het risico natuurlijk niet verhoogd. Omgekeerd kan iemand met een normaal cholesterolgehalte, maar met een hoog LDL-gehalte en laag HDL-gehalte wél een verhoogd risico hebben. Zo heeft bijvoorbeeld 66% van de mannen die een hartinfarct doormaakten een te laag HDL-cholesterolgehalte. Bij 65% van die groep met een verlaagd HDL-cholesterolgehalte is het totaal-cholesterolgehalte normaal of maar licht verhoogd. Toch ontwikkelde zich bij deze groep een hartinfarct.

Daarom zal bij een cholesterolmeting, naast het totaal cholesterol, ook het LDL- en HDL-cholesterol worden gemeten. Bovendien zal ook het totaal gehalte aan vetten (triglyceriden) in het bloed gemeten worden. Een verhoogd gehalte aan triglyceriden heeft, wanneer ook het LDL- en/of het HDL-cholesterolgehalte afwijkend is, een risicoverhogend effect op hart- en vaatziekten.

Volgende waarden worden als normaal beschouwd:

Totaal cholesterol: lager dan 190 mg/dl
LDL: lager dan 115 mg/dl
HDL: boven 40 mg /dl
Triglyceriden: lager dan 180 mg/dl

De arts bekijkt niet alleen de absolute waarden maar houdt vooral rekening met de verhouding tussen de goede en slechte cholesterol om te beslissen of een medische behandeling nodig is. Bovendien zal hij de andere risicofactoren overlopen om te bekijken of u een verhoogd risicoprofiel hebt.
Indien er aanwijzingen bestaan voor een erfelijke belasting, zal de arts ook andere bloedparameters meten, zoals het gehalte aan homocysteïne en lipoproteïne(a) of Lp(a), een ander lipoproteïne dat in verhoogde concentratie een risicofactor voor hart- en vaatziekten is.

Uitleg bij vraag 8: Lichaamsbeweging

Gebrek aan lichaamsbeweging als risicofactor

Voor uw gezondheid is het goed om dagelijks minstens een half uur te bewegen. Het gaat niet alleen om sport maar om elke fysieke inspanning waarvoor u behoorlijk moet ademhalen en die uw hart sneller doet kloppen, zoals wandelen, fietsen, in de tuin werken, het huishouden... Het bewegen hoeft niet aaneengesloten te zijn. Het mag gerust een optelsom zijn van bijvoorbeeld twee keer 15 minuten fietsen of drie keer 10 minuten wandelen. Meer bewegen mag natuurlijk altijd. Daarmee verbetert u de conditie van uw bloedvaten en zal vaatvernauwing minder snel optreden. Bovendien heeft lichamelijke activiteit een gunstige invloed op uw lichaamsgewicht, uw bloeddruk en het cholesterol in uw bloed. Ook heeft beweging een gunstig effect op ouderdomssuikerziekte. Dat betekent dat u vier risicofactoren tegelijk vermindert.
Uit onderzoek blijkt dat ongeveer één Belg op vier te weinig beweegt.

Extra risicofactor: Uitleg Body Mass Index (BMI)

Overgewicht als risicofactor
Overgewicht ontstaat als iemand meer energie (voedsel) inneemt dan hij verbrandt (beweging). Het kan dus zijn dat mensen aankomen als ze bij eenzelfde bewegingspatroon iets meer gaan eten. Maar ook, als mensen hetzelfde blijven eten bij een iets lager bewegingspatroon.

50 tot 90 % van de aanleg tot zwaarlijvigheid wordt bepaald door onze erfelijke constitutie (onze genen). Naar schatting zouden meer dan 50 verschillende genen betrokken zijn in dit proces. Op een paar uitzonderingen na is de precieze rol van deze genen nog niet bekend. Bovendien spelen ook omgevingsfactoren in grote mate mee. Een genetische studie kan voorlopig alleen leren of iemand een verhoogd risico heeft om obees te worden.
Daarnaast is overvoeding gedurende de eerste levensmaanden erg nadelig. De vetcellen nemen in grootte en aantal toe. Hierdoor is deze groei onomkeerbaar wat vaak leidt tot vetzucht op latere leeftijd.

Overgewicht verhoogt de kans op diabetes, op hoge bloeddruk en op hoge cholesterol. De levensverwachting vermindert met gemiddeld 4 jaren voor zowel mannen als vrouwen.
Voor mensen met overgewicht is afvallen gunstig voor de gezondheid. Het cholesterolgehalte in het bloed daalt, de bloeddruk wordt lager en het risico op diabetes type 2 neemt drastisch af. Daarmee wordt de kans op hart- en vaatziekten gevoelig verminderd. Reeds bij een gewichtsverlies van 10 % of ongeveer 10 kg kan men een daling vaststellen.

Body Mass Index - BMI
De BMI (ook de Queteltindex geheten, naar de Gentse professor Quetelet die 100 jaar geleden de basis legde van de statistiek) vormt een eenvoudige methode om (voor volwassenen) na te gaan of u te licht of te zwaar weegt in verhouding tot uw lichaamslengte. Alhoewel er in wetenschappelijke kringen enige kritiek bestaat op de BMI (omdat hij niets zegt over het vetpercentage), blijft het een handig instrument voor een eerste gewichtstest. De BMI is minder goed bruikbaar bij kinderen, ouderen, zwangeren en mensen met zeer veel spiermassa.

BMI = het lichaamsgewicht (in kg) gedeeld door de lichaamslengte (in m) in het kwadraat.

BMI-waarden
Onder de 18,5: ondergewicht.
Tussen de 18,5 en de 24,9: normaal gewicht.
Tussen de 25 en de 29,9: overgewicht. Je loopt niet echt een risico, maar je mag niet dikker worden.
Tussen de 30 en de 39,9: Zwaarlijvigheid (obesitas). Verhoogde kans op allerlei aandoeningen zoals diabetes, hartaandoeningen... Je zou 5 tot 10 kg moeten vermageren.
Boven de 40: ernstige zwaarlijvigheid. Je moet dringend vermageren want je gezondheid is in gevaar

Deze BMI-schaal is niet van toepassing op kinderen en jongeren (<19 jaar). Tijdens de groeifase verandert namelijk de hoeveelheid vetweefsel. Zo wordt een jongen van 10 jaar met een BMI van 20 reeds beschouwd als iemand met overgewicht, en bij 24 als zwaarlijvig. Op 15 jaar is bij een BMI van 24 sprake van overgewicht en bij 29 van zwaarlijvigheid. Bovendien is de BMI bij kinderen geslachtsafhankelijk: meisjes hebben gemiddeld een iets hogere BMI dan jongens. Voor de interpretatie van de BMI van kinderen en jongeren van 2 tot 19 jaar maakt men daarom gebruik van geslachtsspecifieke groeicurven.

Uit de Gezondheidsenquête 2004 blijkt dat:
- 31% van de volwassen Belgische bevolking kampt met overgewicht (een BMI tussen 25 en 30);
-13% is echt zwaarlijvig (een BMI hoger dan 30).
- vanaf de leeftijdsgroep 45-54 jaar, lijdt meer dan de helft van de bevolking aan overgewicht
- in de leeftijdsgroep 55-64 jaar is 20% van de personen echt zwaarlijvig
- 11% van de jongeren tussen 2 en 18 jaar heeft reeds een overgewicht. Dit is vooral het geval in de leeftijdsgroep 5 tot 10 jaar (14%). Overgewicht komt even vaak voor bij jongens als bij meisjes.

zie ook artikel : BMI-index - Ben ik te dik of te dun?

Extra risicofactor: Uitleg middelomtrek

123-dr-lintm-obesitas-buik-dik-overgew-11-16.jpg
De BMI-index is een goede aanduiding voor de hoeveelheid vet in het lichaam. Naast de hoeveelheid lichaamsvet is de verdeling ervan een nog belangrijker factor voor het bepalen van gezondheidsrisico's (o.m. hart- en vaatziekten, diabetes…). De eenvoudigste manier om de lichaamsvetverdeling (‘abdominale obesitas’) bij benadering te bepalen, is het meten van de middelomtrek.
De middelomtrek wordt gemeten met een lintmeter op het smalste deel van de middel tussen de onderste rib en de bovenkant van het heupbeen. Voor het correct aflezen mag de lintmeter de huid niet samendrukken en moet deze evenwijdig zijn met de grond. De meting gebeurt op het einde van een normale uitademing.

Onderstaande indeling geldt voor volwassenen mannen van 18 tot ongeveer 60 jaar.

Geen verhoogd risico <94 cm
Licht verhoogd risico 94-102 cm
Verhoogd risico 102 en hoger cm

Onderstaande indeling geldt voor volwassenen vrouwen van 18 tot ongeveer 60 jaar.

Geen verhoogd risico <80 cm
Licht verhoogd risico 80-88 cm
Verhoogd risico 88 of hoger cm

Extra risicofactor : Alcoholgebruik

Geheelonthouders hebben een hoger risico op hart- en vaatziekten dan personen die ‘matig’ drinken. Onder matig drinken wordt verstaan minder dan 3 glazen per dag wijn of bier voor mannen en minder dan 2 glazen wijn of bier per dag voor vrouwen. Drinkt u meer, dan neemt niet alleen het risico op hart- en vaatziekten toe, maar ook op tal van andere ziekten, o.m. leveraandoeningen en kanker.

Uit de Gezondheidsenquête 2004 (bij personen van 15 jaar en ouder) blijkt dat 63% van de bevolking wekelijks gemiddeld 11 glazen alcohol drinkt. 10% van de bevolking drinkt dagelijks alcohol; 7% van de bevolking kan als een “zware drinker” bestempeld worden (d.w.z. drinkt gemiddeld minstens 22 glazen alcohol per week);
In regel liggen deze cijfers hoger bij mannen dan bij vrouwen. Bij jongeren tussen 15 en 24 jaar concentreert het gebruik van alcohol zich vooral tijdens de weekends.

Ga terug naar de test :

zie ook artikel : Test: Bereken je risico op een hart- en vaatziekte



verschenen op : 07/11/2006 , bijgewerkt op 22/02/2019
pub

Blijf op de hoogte!

Schrijf je in op onze nieuwsbrief:

Nee, bedankt