Handleiding voor het stoppen met antidepressiva

Laatst bijgewerkt: september 2019

dossier

Het Belgisch Centrum voor Farmacotherapeutische Informatie (BCFI) heeft een Handleiding voor het afbouwen van antidepressiva gepubliceerd. Het abrupt stoppen, onderbreken of plots omschakelen van een antidepressivum kan leiden tot onttrekkingsverschijnselen. Daarom moet het stopzetten of overschakelen op een ander antidepressivum geleidelijk gebeuren.

Indien je antidepressiva neemt en wil/moet stoppen of overschakelen op een ander geneesmiddel, bespreek dit dan altijd met jouw arts. Stop zeker niet op eigen houtje.

f-123-pil-hersenen-antidepress-psych-04-19.png

Onttrekkingsverschijnselen

  • Griepachtige verschijnselen: hoofdpijn, lethargie, zweten, rillingen, moeheid, eetlustvermindering, spierpijn
  • Slaapstoornissen: slecht inslapen; nachtmerries
  • Gastro-intestinale symptomen: misselijkheid, braken, diarree en anorexie
  • Evenwichtsproblemen: duizeligheid en coördinatiestoornissen
  • Sensorische symptomen: sensaties van elektrische schokken, paresthesieën en pallinopsie (dit is het lang visueel aanhouden van nabeelden van een object of een persoon nadat deze niet meer aanwezig is in het gezichtsveld)
  • Psychische klachten: angst, somberheid en prikkelbaarheid/irritatie of het optreden van (hypo-)manie (ontremming)
  • Extrapiramidale verschijnselen: bewegingsstoornissen en tremoren
  • Overige verschijnselen: cognitieve stoornissen en hartritmestoornissen.1,3,9
Deze symptomen treden vooral op met selectieve serotonine-heropnameremmers (SSRI’s) en serotonine-en-noradrenaline-heropnameremmers (SNRI’s), maar het kan ook met tricyclische antidepressiva (TCA’s) en andere voorkomen.

Onttrekkingsverschijnselen ontstaan meestal binnen een paar dagen na het stoppen of het verlagen van de dosis van een antidepressivum, en verdwijnen meestal volledig binnen de 1 à 3 dagen als het oorspronkelijke antidepressivum (of de vorige dosis) wordt hervat. Duren deze klachten toch nog langer dan 1 week, dan dient men eerder te denken aan een recidief van de depressie of angststoornis. Het onderscheid tussen een herval en onttrekkingsverschijnselen kan soms moeilijk zijn.

Risicofactoren voor het optreden van onttrekkingsverschijnselen zijn:
  • als de patiënt behandeld werd met hogere dosissen SSRI’s of SNRI’s om een therapeutisch effect te verkrijgen;
  • als deze al werden ervaren bij het onderbreken van de behandeling (bv. door therapie-ontrouw);
  • bij eerder mislukte stoppogingen.

Hoe gebeurt het geleidelijk afbouwen?

Het afbouwen van een antidepressivum kan nodig zijn, bijvoorbeeld op het einde van de behandeling van een depressieve periode. Afbouwen kan ook nodig zijn om het ene middel te vervangen door een ander als er ongewenste effecten zijn of onvoldoende effect is bij het gebruik van het eerste. 
Een geleidelijke afbouw, gedurende minstens 2 à 4 weken, kan het optreden van ontrekkingsverschijnselen verminderen.
De afbouwmethode hangt af van of men het antidepressivum wil stoppen, de dosis verminderen of wil omschakelen.

1. Stoppen of verminderen van de dosis van het antidepressivum

Is volledig stoppen van het antidepressivum het doel, dan zijn de aanwezigheid van risicofactoren, het optreden en de ernst van onttrekkingsverschijnselen tijdens het afbouwproces de bepalende factoren. 

Algemeen is het af te raden om als afbouwschema antidepressiva, in het bijzonder SSRI’s en SNRI’s, om de andere dag in te nemen (1 dag wel, 1 dag niet), omdat dit door hun korte halfwaardetijd overeenkomt met telkens abrupt stoppen, wat onttrekkingsverschijnselen kan veroorzaken. Fluoxetine met een lange halfwaardetijd vormt hierop een uitzondering.

  • Als er vooraf geen risicofactoren aanwezig zijn, zijn er meestal enkel lichte onttrekkingsverschijnselen te verwachten.

    Men kan over een periode van 2 à 4 weken afbouwen door de dosis geleidelijk te verminderen. Dat gebeurt in eerste instantie door gedurende twee weken over te schakelen op de minimum aanbevolen dosis, en na twee weken die dosis te halveren. Deze halve dosis kan vervolgens na 4 weken gestopt worden.

    Indien er toch te veel onttrekkingsverschijnselen zijn, kan de dosis teruggebracht worden naar de vorige dosis waarbij er geen klachten waren. Meestal verdwijnen deze dan binnen de 1 à 3 dagen, waarna men het antidepressivum trager afbouwt. Een uitzondering vormt fluoxetine dat een lange halfwaardetijd heeft, waardoor men van 20 mg naar 0 mg kan gaan zonder af te bouwen. Zit men boven de aanbevolen dagelijkse richtdosis, is het voor fluoxetine waarschijnlijk evenmin nodig om 2 tot 4 weken af te bouwen tot die dosis.

  • Als er vooraf wel risicofactoren aanwezig zijn, kan men sterkere onttrekkingsverschijnselen verwachten. Men bouwt dan altijd trager af. Ook hier dient men eerst over 2 tot 4 weken af te bouwen naar de dagelijks aanbevolen richtdosis van het antidepressivum. Nadien bouwt men per week geleidelijk verder af. Bij onttrekkingsverschijnselen kan men nog trager afbouwen.

    Begeleiding door een arts en het ernstig nemen van de onttrekkingsverschijnselen zijn niet alleen belangrijk voor het slagen van de afbouw, maar ze verminderen ook de kans op herval. Bovendien draagt extra begeleiding met cognitieve of op mindfulness gebaseerde gedragstherapie hiertoe bij. 

2. Omschakelen tussen antidepressiva

Er bestaan 4 methodes voor het omschakelen tussen antidepressiva:
  • De conservative switch bestaat uit het traag afbouwen (over 2 à 4 weken) van het te stoppen antidepressivum; hierna wacht men 5 keer de halfwaardetijd van dat middel (de wash-out periode genoemd) vooraleer men het nieuwe antidepressivum opstart. Dit kan minder efficiënt zijn, omdat het lang duurt en het nieuwe middel pas laat gestart kan worden.
  • Bij de moderate switch doet men het afbouwen sneller in ongeveer 2 dagen, waarna de wash-out periode en het opstarten van het nieuwe antidepressivum volgt.
  • Men kan het nieuwe middel ook reeds geleidelijk opstarten tijdens de geleidelijke afbouw van het eerste middel en zonder een wash-out periode (cross-taper switch)
  • Men kan abrupt omschakelen zonder af te bouwen of een wash-out periode te voorzien, mits er geen potentiële interacties zijn (direct switch).
De “cross-taper” en de “direct switch” worden beter opgevolgd door een psychiater, maar de “conservative” en “moderate switch” kunnen ook door de huisarts.

Drie zaken mag men niet vergeten:
  • Hoe sneller de omschakeling, hoe meer risico op onttrekkingsverschijnselen.
  • Elke omschakeling kan onttrekkingsverschijnselen geven.
  • Niet elk antidepressivum mag op hetzelfde moment gestart of afgebouwd worden, met andere woorden: cross-tapering is soms niet aangewezen.
Welke methode gevolgd wordt, is onder meer afhankelijk van het soort antidepressivum dat men neemt en welk antidepressivum men in de toekomst moet nemen. Het is altijd mogelijk dat het omschakelschema moet aangepast worden naar een tragere methode, afhankelijk van de patiënt, ziekte en/of ander medicatiegebruik op dat moment.

Elke omschakeling moet strikt opgevolgd worden door de huisarts en/of psychiater, en, indien mogelijk, samen met cognitieve of op mindfulness gebaseerde gedragstherapie. 


bron: https://www.bcfi.be/nl/articles/3038?folia=3037
verschenen op : 19/09/2019


pub