Euthanasie wordt meestal thuis uitgevoerd

Laatst bijgewerkt: november 2016
123-txt-euthanasie-11-16.jpg

nieuws Het aantal euthanasie-aanvragen in ons land blijft stijgen. In 2014 werden 1.928 aangiftes ontvangen, in 2015 waren er dat 2.022, maar procentueel is de stijging minder groot dan vorige jaren. Dit is een maandelijks gemiddelde van 165 aangiftes.
De meeste aangiftes waren opgesteld in het Nederlands en hadden betrekking op patiënten van 70 tot 89 jaar, evenveel mannen als vrouwen.

De euthanasie werd het vaakst thuis uitgevoerd. In iets meer dan de helft van de gevallen is de huisarts de eerste verplicht geraadpleegde arts.
Dat blijkt uit het zevende rapport van de federale Controle- en Evaluatie commissie Euthanasie dat slaat op de gegevens van de periode van 1 januari 2014 tot 31 december 2015.

Kanker
De belangrijkste aandoening die aan de basis lag van een verzoek tot euthanasie was uitgezaaide of zwaar verminkende kankers (67,5%), gevolgd door meervoudige pathologieën (9,7%), ziekten van het zenuwstelsel (6,9%), hart- en vaatziekten (5,2%), mentale en gedragsproblemen (3,1%) en aandoeningen aan de luchtwegen (3,1%).
Het overlijden van de patiënten werd doorgaans binnen afzienbare termijn verwacht. De belangrijkste aandoening ingeval het overlijden niet binnen afzienbare termijn werd verwacht, was een meervoudige pathologie.

Het aantal verzoeken om euthanasie op basis van mentale en gedragsproblemen is nog steeds gering (3,1%). Net zoals alle euthanasiedossiers worden deze zeer zorgvuldig onderzocht om na te gaan of aan alle wettelijke voorwaarden is voldaan (ongeneeslijkheid, lijden, gegronde en herhaalde vraag, lang reflectieproces dat de wachttijd van een maand overschrijdt).

Leeftijd
In 63% van de gevallen werd euthanasie uitgevoerd bij patiënten tussen de 40 en 79 jaar, in 36% van de gevallen was de patiënt ouder dan 79 jaar.
Er werd in de periode 2014-2015 geen enkele euthanasieaangifte voor niet-ontvoogde minderjarigen geregistreerd.

Ondraaglijk lijden
Het ondraaglijk, aanhoudend en niet te lenigen lijden doet zich vaak onder vele vormen voor en tast zowel het fysieke als mentale welzijn van de patiënt zodanig aan dat de levenskwaliteit als middelmatig of zelfs onbestaande wordt ervaren.
In 85% van de gevallen was de arts van oordeel dat de patiënt binnen afzienbare termijn zou zijn overleden.
In 67 gevallen werd euthanasie uitgevoerd bij patiënten die niet meer bij bewustzijn waren en die een wilsverklaring hadden opgesteld. Dit aantal blijft laag door het beperkte toepassingsgebied van deze verklaring, die immers enkel gebruikt mag worden voor patiënten die onomkeerbaar buiten bewustzijn zijn.

Waar uitgevoerd?
In 44% van de gevallen werd euthanasie bij de patiënt thuis uitgevoerd, in 42% van de gevallen in het ziekenhuis en in 13% van de gevallen in het rustoord of in het rust- en verzorgingstehuis.
Er wordt een lichte stijging vastgesteld van het aantal gevallen van euthanasie in de rustoorden en in de rust- en verzorgingstehuizen.

Huisarts
Uit het rapport blijkt dat in iets meer dan de helft van de gevallen (53,5%) een huisarts als eerste arts werd geraadpleegd door de patiënt die om euthanasie vraagt. Andere specialisten (38,7%) en palliatieve artsen (7,8%) worden beduidend minder vaak als eerste aangesproken.
Bij een euthanasievraag van een niet-terminale patiënt moet verplicht een tweede arts aangesproken worden. Dat is in drie kwart van de gevallen een psychiater (73,2%). In de overige gevallen – vaak patiënten met meervoudige pathologie – worden ook andere specialisten (waaronder huisartsen) als tweede arts aangesproken.

Medisch correct handelen
75 % van de aangiftes werden onmiddellijk goedgekeurd. In 25% van de gevallen heeft de Commissie meer informatie gevraagd. De Commissie was van oordeel dat slechts bij één aangifte de essentiële voorwaarden van de wet niet werden nageleefd en heeft dit dossier aan de Procureur des Konings overgemaakt.
In nagenoeg alle gevallen (99,8%) stelde de commissie vast dat de euthanasie medisch correct werd uitgevoerd. In 0,2% nam de commissie contact op met de artsen in kwestie om meer toelichting te krijgen over de gebruikte techniek.

Aanbevelingen van de Commissie
Zoals reeds benadrukt in haar vorige verslagen is de Commissie van oordeel dat, met het oog op een wettelijk correcte toepassing van euthanasie zowel de burger als de arts en, bij uitbreiding, de zorgverstrekkers op degelijke wijze dienen te worden geïnformeerd. De overheid moet alle initiatieven dienaangaande ondersteunen. Ook de Universiteiten en Hogescholen die voor de opleiding van het verzorgend personeel instaan, moeten ertoe worden aangespoord in hun colleges kwesties omtrent het levenseinde van patiënten te onderwijzen.

De Commissie is van mening dat de toepassing van de wet geen noemenswaardige problemen heeft opgeleverd of aanleiding heeft gegeven tot misbruiken waardoor wetgevende initiatieven vereist zouden zijn.

In het bijzonder wat de wettelijke wachttermijn van een maand betreft die is opgelegd indien het overlijden niet binnen afzienbare termijn wordt verwacht, is de Commissie van oordeel dat de wet niet moet worden gewijzigd.
• Wat betreft de wijzigingen die moeten worden aangebracht in de formele procedures voor het hernieuwen van een wilsverklaring teneinde deze efficiënter te maken, betreurt de Commissie dat er geen oplossing is gekomen wat betreft de complexiteit van het opstellen van een wilsverklaring en van de procedures voor het registreren en hernieuwen van de wilsverklaring, wat het gebruik ervan beperkt.
• De Commissie vindt het ook opportuun om, net zoals in Nederland, een elektronisch registratiedocument in te voeren. Gelet op de toename van het aantal euthanasieaangiftes zou dat niet alleen de werklast van de leden van de Commissie en van het secretariaat verlichten, maar ook de elektronische gegevensverwerking vergemakkelijken.

U kunt het volledige verslag lezen op de website van de FOD Geondheid (Overlegorganen gezondheid).




pub