Carpale tunnelsyndroom

Laatst bijgewerkt: January 2014
In dit artikel
Carpale tunnelsyndroom

dossier Het carpale tunnelsyndroom is een beknelling van de middelste zenuw (Nervus medianus) bij de pols. Deze zenuw verloopt van de onderarm naar de handpalm via een tunnel (de carpale tunnel) die wordt gevormd door de handwortelbeentjes en een stevig peesblad (de dwarse polsband) aan de handpalmzijde van de pols. Door die tunnel lopen ook de buigpezen van de vingers. De beknelling van de zenuw ontstaat door zwelling van het bindweefsel, waardoor de druk in de tunnel toeneemt.
Het is de meest voorkomende vorm van perifere zenuwbeklemming.

Klachten

De klachten die hiervan het gevolg zijn, kunnen nogal uiteenlopen. Zo kunt u last hebben van:
• Een prikkelend en pijnlijk gevoel of hinderlijke tintelingen in de vingers en in de handpalm.
• Een doof gevoel in de handpalm en in de vingers. Soms een gevoel alsof de hand opgezwollen is.
• Een uitstralende pijn naar de onderarm, de elleboog en de schouder.
• Soms krachtverlies in uw hand waardoor u zomaar dingen kunt laten vallen.

Heel vaak komen deze klachten in de loop van de nacht voor en zorgen ervoor dat u wakker wordt. Hoewel de klachten meestal aan één hand voorkomen, kan het ook gebeuren dat men last krijgt van de andere hand. Merkwaardig is dat de klachten nogal eens tijdens zwangerschap of aan het begin van de overgang optreden.
De klachten treden vaak op in de rustfase na huishoudelijke activiteiten (wringen, aardappels schillen, borduren…).
Ook kunnen de klachten optreden na langdurig vasthouden van fiets/autostuur.

Diagnose

anatom-carpale-tunnel-300.jpg
De diagnose van carpale tunnelsyndroom wordt gesteld op basis van het klachtenpatroon. Bij neurologisch onderzoek worden normale armreflexen, verminderde tastzin en/of overgevoeligheid voor aanraken op de plaats van de carpale tunnel en soms krachtsverlies/atrofie van duimmuisspieren gezien.
Het belangrijkste aanvullend onderzoek is het electromyografisch onderzoek (EMG) waarbij een verlaagde geleidingsnelheid van de zenuw over de carpale tunnel wordt gemeten.
Bloedonderzoek wordt alleen bij verdenking op diabetes, reumatische aandoening of hypothyreoïdie verricht.

Behandeling

Soms is geen behandeling nodig of kan men beter afwachten indien de klachten gering zijn of van voorbijgaande aard (bijvoorbeeld in de zwangerschap).
Mogelijke behandelingen zijn: (nacht)spalk, injectie met corticosteroïden, ultrageluid, operatief klieven van het ligamentum carpi transversum.

Nachtspalk
Het gaat om een spalkje van kunststof waarmee de pols rust krijgt en de klachten kunnen afnemen. Een dergelijke spalk kan ook gebruikt worden in afwachting van een operatie. De spalk moet meestal 's nachts, maar zo nodig ook overdag worden gedragen.

Tractie
Een tractie met een CTD, een pneumatisch werkend tractieapparaat, kan hulp bieden.

Ultrageluid
Een experimentele behandeling met ultrageluid geeft volgens één gepubliceerde studie zeer goede resultaten gedurende minstens 6 maanden.

Cortisonen
Een injectie in de pols met bijnierschorshormonen (cortison) en een plaatselijk-verdovend middel kan een tijdlang goed helpen.

Operatie

litteken-na-OP-carpal-tunnel-170-400-02.jpg
Vaak zal een operatie nodig zijn om de druk op de zenuw weg te nemen. Hierbij wordt de verbinding tussen de pink en duimmuis, het dak van de carpale tunnel, doorgesneden, waardoor de inhoud en dan vooral de weke zenuw van de beknelling wordt verlost.

Dat kan op twee manieren:

Via de klassieke operatie.
Dit is een kleine ingreep waarbij een snee wordt gemaakt in de pols aan de handpalmzijde. De dwarse polsband wordt doorgesneden. Hierdoor wordt de tunnel verwijd. De operatie duurt ongeveer twintig minuten en wordt over het algemeen verricht onder plaatselijke verdoving waarbij alleen de arm gevoelloos is. De operatie wordt meestal in dagbehandeling verricht. Dit betekent dat u, als de verdoving is uitgewerkt, weer naar huis kunt.

via een kijkoperatie
Hierbij worden twee kleine sneetjes gemaakt waar doorheen geopereerd wordt met speciaal instrumentarium. Het voordeel hiervan is dat de sneetjes kleiner zijn en dus ook kleinere littekens opleveren. Een nadeel is dat de operatie soms mislukt of dat het syndroom na verloop van tijd weer terug komt.

Na de operatie is het raadzaam de vingers gewoon te blijven bewegen. Krachtzetten (wringende bewegingen) enkele weken worden vermeden. Deze rust is nodig voor een ongestoorde wondgenezing, omdat anders de wond open kan gaan na het verwijderen van de hechtingen.
Het is verstandig dat u de eerste dag(en) de arm in een draagdoek houdt.
Omdat men gedurende enkele weken de geopereerde hand minder goed kan gebruiken, wordt bij de aanwezigheid van een carpaletunnelsyndroom aan beide handen de operatie niet aan beide handen tegelijkertijd verricht.
Het litteken aan de pols blijft vaak langer gevoelig, met name bij druk ter plaatse, zoals bij het steunen op de pols. De klachten, die u tevoren had, zijn na de operatie heel vaak meteen verdwenen. De hechtingen kunnen na zeven tot tien dagen worden verwijderd. U moet erop rekenen dat u lange tijd veel minder kracht in uw duim zult hebben.

Een ernstige, maar zeer zeldzame complicatie die na een operatie kan optreden is de zogenaamde dystrofie van de hand. Er treedt dan zwelling op van de hand, die ook pijnlijk wordt, vooral bij bewegen, terwijl de kleur varieert van rood bij warmte tot bleekwit en blauw bij koude. Het is van belang dat U bij het optreden van dergelijke verschijnselen zo spoedig mogelijk Uw arts raadpleegt.

zie ook artikel : Algoneurodystrofie of syndroom van Sudeck ( of reflex sympathische dystrofie, ook posttraumatische dystrofie)



verschenen op : 14/08/2003 , bijgewerkt op 24/01/2014
pub

Blijf op de hoogte!

Schrijf je in op onze nieuwsbrief:

Nee, bedankt