Hoe herkent u autisme bij baby’s en kleuters?

Laatst bijgewerkt: maart 2019
123-kind-boos-psych-verleg-aut-170_03.jpg

nieuws Het is belangrijk om vroegtijdig hulp te zoeken als er sprake is van een vorm van autisme. Hoe eerder een diagnose gesteld kan worden, hoe beter het is voor de ontwikkeling van het kind en de begeleiding van ouders. De meeste ouders worden pas bezorgd na de eerste verjaardag van hun kind. Dan worden immers de verschillen met andere baby's opvallender. Rond 18 maanden blijken autistische kinderen eerder een teruggang dan een vooruitgang in de ontwikkeling te laten zien. Tegen de leeftijd van twee jaar weten de meeste ouders dat er iets fout loopt. Indien ouders dit soort vermoedens hebben, moeten die ernstig genomen worden en zou dat kindje altijd onderzocht moeten worden.
De belangrijkste redenen om een diagnose op heel jonge leeftijd te stellen:
• Vroegtijdige behandeling en ondersteuning kan gestart worden.
• Zo kunt u een periode van vermoedens, twijfels en schuldgevoelens afsluiten.
• U kunt informatie over autisme inwinnen zodat u waar wenselijk de opvoeding van uw kind kunt aanpassen.
• U kunt een beroep doen op organisaties en mensen uit uw omgeving die u daarbij kunnen helpen.

De verschillende kenmerken van autisme kunnen in drie grote categorieën ondergebracht worden : de sociale relaties, de communicatie en beperkt voorstellingsvermogen met sterotiep gedrag. Dat noemt men ook wel de triade.
Deze kenmerken kunnen in verschillende combinaties en met een verschillende intensiteit voorkomen. Sommige kinderen hebben veel symptomen in ernstige mate, andere kinderen hebben minder symptomen ook in lichtere mate.

1. Beperkingen in sociale interactie
Het centrale probleem is moeilijkheden met wederkerigheid in de sociale relatie. De wijze waarop dit merkbaar wordt in de omgang met een kind met autisme kan erg verschillen. Sommige kinderen zijn heel passief en nauwelijks betrokken bij de hen omringende wereld, terwijl anderen geen afstand bewaren en vaak op een ongewone manier iemands aandacht opeisen. Bovendien is zowel het inzicht in wat anderen voelen en denken als het doorzien van sociale situaties zeer beperkt.

Enkele voorbeelden:
• moeite hebben om oogcontact te maken;
• vermijden lichamelijk contact;
• geen 'sociale glimlach' (die begint meestal bij 6 weken);
• als kind zijn armpjes niet naar de ouders uitstrekken om opgepakt te worden;
• niet reageren op toenadering van anderen, bijvoorbeeld andere kindjes;
• niet of nauwelijks imiteren van geluiden of bewegingen van anderen, bijvoorbeeld simpele handelingen zoals in de handjes klappen, dag wuiven…;
• niet of nauwelijks reageren op de eigen naam;
• als baby heel rustig zijn en nooit iets nodig lijken te hebben;
• liever alleen spelen of heel dominant zijn tijdens een spel met leeftijdsgenootjes;
• interesses of plezier weinig of niet delen met anderen;
• weinig gelaatsuitdrukkingen of gebaren gebruiken om contact te maken.

2. Beperkingen in communicatie
Bij autisme is het communicatieproces verstoord, maar ook de communicatiemiddelen of de manier waarop wordt gecommuniceerd. Wanneer er taal aanwezig is, wordt ze niet altijd gebruikt als middel om echt te communiceren. Begaafde kinderen met autisme kunnen bijvoorbeeld erg taalvaardig zijn en zelfs over een grote woordenschat beschikken, maar ondervinden vooral problemen bij de ‘kunst van de taal’, de pragmatiek, niet zozeer bij de ‘techniek’. Ze missen de vaardigheden om taal soepel en gepast te begrijpen en te gebruiken in de sociale context. Mimiek en gebarentaal is voor hen moeilijk te begrijpen en kan een bron van verwarring vormen.

Enkele voorbeelden:
• echolalie, waarbij geluiden, woorden of zinnen die ze net gehoord hebben worden herhaald, of die bijvoorbeeld uit een tekenfilm werden geplukt;
• vertraagde taalontwikkeling: weinig brabbelen; nog geen losse woordjes zeggen bij 1½ jaar; nog geen twee-woordzinnen maken als het kind 2 jaar is.
• verwisselen van persoonlijke voornaamwoorden (‘jij’ in plaats van ‘ik’);
• steeds maar over hetzelfde praten, obsessief met één thema bezig zijn;
• vaak maken ze korte zinnen en zeggen ze alleen het hoognodige;
• niet weten wanneer je iets zegt of wanneer je beter iets niet zegt;
• communicatie is eerder eenrichtingsverkeer: niet goed weten hoe je een gesprekje voert, geen rekening kunnen houden met wat de gesprekspartner weet of nog niet weet;
• Weinig expressie bij het praten (geen gebaren, eentonig praten…);
• het letterlijk nemen van taal: dat valt het meest op bij grapjes, uitdrukkingen en zegswijzen. Figuurlijk taalgebruik kan erg verwarrend zijn voor kinderen met autisme.

3. Beperkt voorstellingsvermogen, ongewone interesses en repetitief gedrag
Mensen met autisme kunnen op een starre manier functioneren, sterotiep of repetitief gedrag vertonen en een beperkte of ongewone belangstelling hebben. Ook hier bestaan grote verschillen tussen kinderen onderling.

Dat komt onder meer tot uiting in:
• motorische stereotypieën, zoals ronddraaien, wiegen, flapperen met de armen, op de tenen lopen;
• repetitieve handelingen (herhalen van dezelfde handelingen), bijvoorbeeld alsmaar een lichtknopje aan en uit doen, met de wieltjes van een speelgoedauto draaien, openen en sluiten van deuren…;
• rituelen (zaken in een bepaalde volgorde doen) of routines, bijvoorbeeld altijd dezelfde weg naar een bepaalde bestemming nemen;
• het uren bezig zijn met het op een welbepaalde manier ordenen van voorwerpen, bijvoorbeeld speelgoed in rijtjes zetten;
• het spelen op een heel eigen manier, waarbij een spel of voorwerp niet wordt gebruikt waarvoor het bedoeld is;
• Geen fantasie in spel, bijvoorbeeld om een pop ‘eten’ te geven;
• het erg gehecht zijn aan dingen die voor ons nauwelijks waarde hebben: touwtjes, stukjes papier, enz.
• afwijkende interesses van leeftijdsgenoten, bijvoorbeeld interesse voor dieren die uitgestorven zijn, niet voor dieren in het algemeen
• het ontwikkelen van een passie voor bepaalde thema’s zoals auto’s of de uurregeling van de treinen;
• de behoefte aan herhalingen en weerstand tegen verandering. Elke verandering kan beangstigend werken en verwarring veroorzaken.

4. Bijkomende problemen
Naast deze typische kenmerken komen geregeld ook andere problemen voor.
• Ongewone reacties op zintuiglijke prikkels. Overgevoeligheid voor geluid, geur of licht, maar ook op tactiel vlak, zoals een overgevoeligheid voor bepaalde kledingsstoffen. Of net het omgekeerde: ongevoeligheid voor pijn, houden van felle geluiden…
• Een afwijkende, houterige en onhandige motoriek.
• Extreme en schijnbaar onlogische angsten.
• Overactiviteit en/of impulsief gedrag.
• Niet-specifieke gedragsproblemen zoals eet- en slaapproblemen, driftbuien, agressie, destructief gedrag en zelfverwondend gedrag.

CHAT: Checklist autisme peuters

De CHAT (Checklist Autism for Toddlers) is een screeningsinstrument ontwikkeld voor peuters van ongeveer 18 maanden. Het betreft een eenvoudige vragenlijst, bestaande uit 9 vragen aan de ouders en 5 aandachtspunten voor observatie van de peuter tijdens een consultatie bij de huisarts of het consultatiebureau van Kind en Gezin. Ze werd ontwikkeld door Simon Baron-Cohen van het psychiatrisch instituut van de University of London, in samenwerking met Christopher Gillberg, kinderpsychiater aan de universiteit van Göteborg (Zweden) tijdens de raadpleging.
Hoewel het instrument nog uitvoerig moet onderzocht worden op betrouwbaarheid en validiteit, getuigen de eerste onderzoeksresultaten van een veelbelovend instrument.

CHAT: hoe hanteren?
Onder de 14 vragen zijn er 5 sleutelindicatoren voor autisme: sociale interesse (2), sociaal spel (4), verbeeldingsspel (5), protodeclaratief wijzen (7) en gedeelde aandacht (9). Indien op 2 of meer van deze 5 sleutelvragen een neen als antwoord gegeven wordt, is er een vermoeden van autisme.

Deel 1: Vragen aan de ouders
1.Geniet je kind ervan, wanneer het rondgezwierd, op je knie geschommeld wordt?
Ja / Neen
2. Heeft je kind belangstelling voor andere kinderen?
Ja / Neen
3. Klimt / klautert je kind graag op dingen, zoals op trappen?
Ja / Neen
4. Geniet je kind van kiekeboespelletjes, verstoppertje?
Ja / Neen
5. Doet het kind ooit alsof, b.v. dat het een kopje koffie maakt (gebruik maken van een
speelgoedkopje en -kan), of doet hij/zij met andere dingen wel eens alsof?
Ja / Neen
6. Wijst je kind ooit wel eens iets (met de wijsvinger) aan om iets te vragen?
Ja / Neen
7. Wijst je kind ooit wel eens iets aan, om zijn/haar belangstelling voor iets te tonen?
Ja / Neen
8. Kan je kind goed (of: gepast) spelen met kleine speeltjes (b.v. autootjes, blokken) -
méér dan louter die in de mond steken, eraan friemelen, of ze laten vallen?
Ja / Neen
9. Brengt het kind wel eens voorwerpen naar jou (de ouder), om je iets te tonen?
Ja / Neen

Deel 2: Observatie door de arts
1. Heeft het kind tijdens de raadpleging oogcontact met jou gemaakt?
Ja / Neen
2. Trek de aandacht van het kind. Wijs dan door de kamer een interessant voorwerp aan, en zeg: "Kijk (eens) daar! Een (naam van het speeltje)!" Bekijk het gezicht van het kind. Kijkt het door de kamer om te zien wat je aanwijst?
("JA": het kind heeft echt gekeken naar het voorwerp dat je aanwees, en niet gewoon
naar je hand.)
Ja / Neen
3. Trek de aandacht van het kind. Geef het dan een miniatuurkopje en -kan, en zeg: "Kan je een kopje koffie (thee...) maken?" Doet het kind alsof het koffie schenkt, drinkt enz.?
("JA": ook als je een ander voorbeeld van een doe-alsof-spelletje kan' uitlokken'.)
Ja / Neen
4. Vraag aan het kind: "Waar is de lamp?" of "Toon me de lamp". Wijst het kind met de wijsvinger naar de lamp? Als het kind het woord "lamp" niet begrijpt, vraag dan naar een ander voorwerp, dat buiten zijn/haar bereik ligt.
("JA": op (of rond) het moment, waarop het kind het voorwerp aanwijst, moet het naar je gezicht kijken.)
Ja / Neen
5. Kan het kind een toren maken met blokken? (Zo ja, met hoeveel blokken?)
Ja / Neen

Bron: Landelijk Netwerk Autisme

Webtest

Het Dr. Leo Kannerhuis (Nederland) heeft een webtestje gemaakt waarmee u het gedrag van uw kind kunt vergelijken als u zich zorgen maakt. De uitslag is geen diagnose maar geeft aan of er reden is voor verder onderzoek. Er is ook een Turkse en Marokaans-Arabische versie.
De test richt zich op kinderen tot en met 6 jaar. Er worden vragen gesteld over het gedrag van uw kind. Na de test krijgt u een advies. Daarin staat of het wel of niet verstandig is verder onderzoek te doen.
www.heeftmijnkindautisme.nl/lkh/

Wat kunt u doen bij een vermoeden van autisme?
Praat erover met uw huisarts, kinderarts, een CLB-medewerker, leerkracht van uwkind, … Delen ze uw vermoeden niet en blijft u met vragen zitten, aarzel dan niet om toch de stap te zetten naar een gespecialiseerde dienst, bijvoorbeeld een Referentiecentrum Autismespectrumstoornissen (RCA). Ouders weten immers als geen ander wanneer er iets mis is met de ontwikkeling van hun kind.
Autisme wordt bij voorkeur vastgesteld door een gespecialiseerd multidisciplinair team (MDT). Na een uitgebreid multidisciplinair onderzoek is een diagnose autisme in principe betrouwbaar vanaf de leeftijd van 2 jaar.

In de meeste Referentiecentra Autismespectrumstoornissen (RCA) bestaan lange wachttijden (tot één jaar). U kunt doorgaans sneller terecht bij een (kinder-)psychiater of een psycholoog. Weet wel dat om toegang te krijgen tot sommige gesubsidieerde voorzieningen of diensten, zoals thuisbegeleiding, een erkenning van het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (VAPH) en dus een diagnose gesteld door een multidisciplinair team erkend door het VAPH vereist is.
Het stellen van de diagnose autisme is geen gemakkelijke zaak. Ondanks de verbeterde kennis van autisme bij artsen, psychologen en andere professionelen, is het niet ongewoon dat er een hele tijd verloopt tussen de eerste bezorgdheid van ouders en een duidelijke en correcte diagnose. Toch zijn er ook heel wat factoren die de diagnostiek van autisme bemoeilijken. Zo komen niet alle kenmerken voor bij elk kind en kunnen ze variëren met de leeftijd en het ontwikkelingsniveau. Bepaalde kenmerken komen dan ook nog eens voor bij andere ontwikkelings-, gedrags- of leerstoornissen. Er is vandaag geen enkel diagnostisch instrument om uitsluitsel te kunnen geven over het al dan niet aanwezig zijn van autisme. Dé test voor autisme die 100 % zekerheid biedt bij elk kind, bestaat helaas niet.

Referentiecentra Autismespectrumstoornissen (RCA)
RCA Antwerpen
UCKJA (Universitair Centrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie Antwerpen)

Lindendreef 1
2020 Antwerpen
Tel.: 03/740 54 65
Fax: 03/ 740 54 89
E-mail: rcautisme@zna.be
Gouverneur Kinsbergen Centrum
Centrum voor Ontwikkelingsstoornissen - COS Oriëntatiecentrum - OC (GA)
Doornstraat 331
2610 Wilrijk
Tel. COS: 03/830 73 10
Tel. OC (GA): 03/821 03 00
Fax COS en OC (GA): 03/828 69 54
E-mail COS: cos@vzwkinsbergen.be
E-mail OC (GA): ga@vzwkinsbergen.be

Er kan niet rechtstreeks naar het RCA verwezen worden. Eerst moet er onderzoek gebeuren bij één van de RCA-sites. Aanmeldingen bij de sites gebeuren volgens leeftijd:

  • UCKJA (0 tot en met 17 jaar): 03/280.49.00
  • Gouverneur Kinsbergen Centrum COS (0 tot en met 7 jaar): 03/828.38.00
  • Gouverneur Kinsbergen Centrum CGVB 113 (vanaf 12 jaar):03/821.03.00

Als uit dit onderzoek een vermoeden van autisme blijkt, worden diagnostische modules gepland in het RCA.

OPZ Geel

Dr. Sanodreef 4 2440 Geel Aanmeldingen via het secretariaat divisie Jongeren E-mail: Anneleen.peeters@opzgeel.be Tel.: 014 57 91 35 Website: www.opzgeel.be/nl/jongeren/htm/RCA.asp

RCA Gent

UZ - Gent afdeling Kinder- en Jeugdpsychiatrie

De Pintelaan 185 OK 12 F 9000 Gent Tel.: 09/332 48 74 Fax: 09/332 27 58

Centrum voor Ontwikkelingsstoornissen - COS

De Pintelaan 185 2K5 9000 Gent Tel.: 09/332 57 44 Fax: 09/332 38 06 Website: www.cosgent.be

De aanmelding kan bij één van beide subteams van het RCA. Aanmelden kan op werkdagen op volgende telefoonnummers:

  • COS-Gent: 09 332 57 44 (baby's, peuters, kleuters en begin lagere school).
  • Kinder- en Jeugdpsychiatrie: 09 332 48 74 (8-10 u en 14-16u, alle leeftijden, incl. volwassenen).

RCA Leuven

Expertisecentrum voor Autisme - ECA - UZ Gasthuisberg Leuven

Herestraat, 49 3000 Leuven Tel.: 016 34 38 21 Fax: 016 34 38 30 E-mail: christine.vandezande@uzleuven.be Website : www.uzleuven.be/kinder-en-jeugdpsychiatrie/het-expertisecentrum-autisme

RCA Brussel

UZ-Brussel

Laarbeeklaan, 101 1090 Jette Tel.: 02 477 60 94 Fax: 02 477 58 90 E-mail: odette.thon@uzbrussel.be

RCA UZ Brussel - Inkendaal

Inkendaalstraat, 1 1602 Vlezenbeek Tel.: 02 531 51 11 Fax: 02 532 23 66 E-mail: karolien.pennewaert@inkendaal.be

Bronnen
www.autismevlaanderen.be
www.participate-autisme.be
www.expoo.be/dossiers/autisme/hoe-herkennen
www.groeimee.be/autisme
www.kinderneurologie.eu/ziektebeelden/gedrag/autisme.php
www.autisme.nl/
www.landelijknetwerkautisme.nl/
www.cdc.gov/ncbddd/autism/index.html
www.cdc.gov/ncbddd/actearly/facts.html
www.autism-insar.org/
www.kennedykrieger.org



verschenen op : 03/04/2014 , bijgewerkt op 25/03/2019


pub