Veilig rijden bij sneeuw en ijzel

Laatst bijgewerkt: december 2011
sporen-sneeuw-170.jpg

nieuws Gisteren hadden we het over de vele voordelen van winterbanden. Winterbanden alleen volstaan echter niet om veilig te rijden bij sneeuw of ijzel. U moet ook uw rijstijl aanpassen.

• Weeg af of het wel noodzakelijk is dat u met uw auto (of motor) op pad gaat.

Auto ijsvrij maken
Maak de wagen voor u vertrekt steeds volledig sneeuw- en ijsvrij, om een optimaal zicht op de weg en het verkeer te hebben. Verwijder ook sneeuw en ijs op de lampen.
- Gebruik eventueel een de-icer spray, bij voorkeur een biologisch afbreekbaar product. Zo spuit u snel de gehele voorruit, zijruiten en uw spiegels schoon en zullen deze niet snel her-bevriezen.
- Zet de motor niet op terwijl u de sneeuw weghaalt: voor de motor en het brandstofverbruik is het beter om de motor rijdend te laten warmdraaien dan stationair.
- Vergeet de sneeuw niet van uw motorkap en dak te halen, deze waait anders op uw vooruit en is ook hinderlijk voor degene die achter u rijdt.
- Als de auto 's nachts buiten staat, plaats dan een stuk karton of een deken tussen de ruitenwissers en de voorruit om te voorkomen dat de ruit of de wissers aanvriezen. Voorkom vastvriezen van uw ruitenwissers door ze bij het parkeren van de ruit af te klappen.
- Controleer regelmatig of er nog voldoende ruitenwisservloeistof in het reservoir zit, en voeg er een beetje antivriesmiddel aan toe.
- Zet de blazer aan op de warmste stand en richt op de voorruit. Doe de centrale dashboardroosters even dicht, dan gaat er meer lucht naar de voorruit. Heeft u airco, gebruik die dan ook in de winter voor het ontwasemen van de ramen.
- Leg altijd een zonnebril in de auto omdat de laagstaande zon het zicht ernstig kan belemmeren.

Zonder slippen wegrijden
Schakel de tweede versnelling in. Dan is de kans op doorslippen een stuk kleiner omdat de wielen dan niet meteen te snel gaan draaien. Geef niet teveel gas en laat de koppeling langzaam opkomen. Als u een automaat met sneeuwstand hebt, gebruik die dan.
Vertrek rustig en versnel niet te bruusk, zodat de banden niet doorslippen. Schakel naar een hogere versnelling als dat toch gebeurt, zo vermindert u de kracht die op de wielen wordt uitgeoefend.
Verder moeten alle handelingen met beleid gebeuren. Heel voorzichtig gas geven. Ontkoppel ook niet plots, wanneer je dit wel doet, maak je de wagen onstabiel waardoor slipgevaar dreigt, zeker als het wegdek glad ligt. Want zelfs dan kunt u slippen.

Afstand houden
Pas uw snelheid aan en houd altijd voldoende afstand tot de voorligger. Een nat wegdek is dubbel zo glad als een droog wegdek, een besneeuwd wegdek is nog eens dubbel zo glad als een nat wegdek.
Vertraag tijdig, zodat u niet plots hard in de remmen moet. Schakel liever een versnelling terug om af te remmen. Vergeet niet dat in gladde omstandigheden het ABS de remweg niet inkort, maar integendeel, vaak nog langer maakt.

Bochten
Rem niet of geef nooit gas in een bocht. Vertraag om de bocht met de juiste snelheid aan te snijden. Het is beter om voor een bocht te remmen dan in een bocht. Als de voorwielen de neiging hebben om rechtdoor te schuiven, ga dan van het gas en stuur naar de juiste richting. Hebt u het gevoel dat de achterkant van de wagen uitbreekt, zet dan de wielen recht en geef langzaam gas om weer in de goede richting te gaan, tenminste als uw auto voorwielaangedreven is. Gaat het om een auto met achterwielaandrijving, los dan het gaspedaal en stuur tegen (lees: draai de wielen tegen de richting van de bocht). De grip zal terugkomen zodra de snelheid daalt.

Remmen
Rem nooit bruusk. Het remmen moet zeer geleidelijk gebeuren om blokkering van de wielen te voorkomen wat kan leiden tot slippen en verlies van controle over de auto. De beste mannier om te remmen is pompend (het rempedaal lichtjes indrukken en daarna weer loslaten), en dit verschillende keren herhalen.
Als de wielen blokkeren en u slipt, moet u het rempedaal loslaten om weer grip te krijgen en vervolgens opnieuw, geleidelijk blijven afremmen op de motor. Om het risico van blokkering van de wielen tijdens het afdalen te verkleinen, kunt u later naar een andere versnelling schakelen dan u doet bij droog weer.
Voordat u een lastige manoeuvre maakt (scherpe bocht, afremmen) dient u op het remmen te anticiperen en ervoor te zorgen dat dit zo geleidelijk mogelijk gebeurt door af te remmen op de motor.

Slippen.
Regel nummer 1 is om niet plots te gaan remmen. Vermijd bruuske stuurbewegingen. Kijk én stuur in de richting waar u naartoe wilt, zeker niet naar de hindernis die u moet ontwijken.
Bij onderstuur (slippende voorwielen) moet je het gaspedaal lossen en ontkoppelen om de wielen in de juiste richting te stellen. Bij overstuur (slippende achterwielen) moet je ontkoppelen en tegenstuur geven.

Bij een ongeval
Raakt u betrokken bij een aanrijding verplaats dan indien mogelijk de voertuigen zo snel mogelijk maar veilig naar en parkeerplaats of onderaan een afrit en bel om hulp.

Bij een verre trip
Indien u voor een langere trip vertrekt, bv. naar de wintersporten, hou er dan rekening mee dat u in een lange file kan terechtkomen of pech kunt hebben.
- Neem warme dekens, eten en drinken mee.
- Zorg altijd voor voldoende brandstof. Neem eventueel een jerrycan met reservebrandstof mee.
- Leg matten in de koffer om het wegrijden uit diepe sneeuw te vergemakkelijken.


bron: www.vab.be www.anwb.nl/
verschenen op : 08/01/2012
pub

Blijf op de hoogte!

Schrijf je in op onze nieuwsbrief:

Nee, bedankt