Scoliose is een verkromming van de wervelkolom waardoor men scheef groeit. Het is een veel voorkomende afwijking bij jongeren, vooral dan bij meisjes. Om een aangepaste behandeling te kunnen instellen en erger te voorkomen is het belangrijk dat de afwijking zo vroeg mogelijk wordt vastgesteld.
Wanneer je iemand in een zwempak van op de rug bekijkt, dan zie je hoe de knobbels van de wervelkolom normaal mooi op één rechte lijn liggen. Nochtans staat de wervelkolom bij niemand kaarsrecht omhoog. Als je hem van opzij bekijkt, maakt hij altijd een slingerbeweging. In de lenden welft hij vooruit en aan de borstkas kromt hij achteruit. Die krommingen van de wervelkolom zijn van essentieel belang om schokken te kunnen opvangen.
Bij een scoliose maakt de wervelkolom echter een bijkomende zijwaartse slingerbeweging. Dit leidt tot een houding die doet denken aan iemand die wat opzij leunt en daarbij één schouder laat zakken en eventueel ook de heup wat uitsteekt. De afwijking aan de wervelkolom is het duidelijkst te zien wanneer men voorover buigt. Eén zijde van de rug is dan duidelijk hoger dan de andere zijde. De gewone lenden- en borstkrommingen zijn vaak ook groter dan normaal.
Om van scoliose te kunnen spreken, moet er een echte scheefgroei van de wervelkolom zijn, waarbij de wervels niet enkel krom groeien maar bovendien ook langs hun overlangse as draaien. Wanneer het ene been bijvoorbeeld iets langer is dan het andere, iets wat bij zeer veel mensen het geval is, dan zakt het bekken weliswaar iets scheef en dus ook de rug, maar in dit geval gaat het niet om scoliose omdat er aan de rug zelfs niets scheelt. Een correctie van het verschil in beenlengte (bv. door een verhoogde zool) doet de afwijking verdwijnen.
In 2 à 3 gevallen op 10 is de scoliose aangeboren of het gevolg van een aangeboren probleem, zoals bv. bepaalde spierziektes, chromosomale afwijkingen zoals het syndroom van Down, verlammingen, enz.
In de meeste gevallen echter is de oorzaak onbekend. Men spreekt dan van “ideopathische scoliose” (ideopathisch betekent gewoon dat men de oorzaak niet kent). Deze vorm van scoliose treedt meestal op vanaf de puberteit en komt voor bij zowat 2 à 4 % van de kinderen, vooral dan bij meisjes.
Dat scoliose een gevolg zou zijn van een verkeerde houding op de schoolbanken of het sleuren met te zware boekentassen, is echter een fabeltje. Een verkeerde houding heeft ook geen invloed op de verdere evolutie van de afwijking. Ook heeft scoliose niets te maken met een zwak beendergestel omdat het kind te weinig melk zou drinken.
Scoliose komt wel meer voor in sommige families, wat wijst op een zekere erfelijke aanleg.
Scoliose kan niet voorkomen, noch genezen worden. Men kan alleen proberen om de toestand te stabiliseren en eventueel de afwijking een beetje te corrigeren.
In 9 op 10 gevallen is een scoliose vrij mild van aard en is er geen ingrijpende behandeling nodig. Het is nochtans belangrijk dat de evolutie vooral tijdens de puberteit goed opgevolgd wordt. Een controle om het half jaar is aangewezen. Tijdens de puberteit kan de afwijking namelijk verergeren, wat op latere leeftijd voor problemen kan zorgen, zoals ernstige rugpijn, kortademigheid en in de ernstigste gevallen zelfs tot hartklachten.
Het is moeilijk om de toekomstige ontwikkeling van een scoliose te voorspellen, maar de leeftijd en het geslacht zijn een belangrijke factor. Hoe jonger het kind is wanneer de afwijking wordt vastgesteld, hoe groter het risico op toename tijdens de groei. Ook bij meisjes die nog geen maandstonden hebben, is de kans op toename veel groter dan bij jongens.
Als stelregel gaat men ervan uit dat een scoliose bij opgroeiende kinderen moet behandeld worden zodra de kromming meer dan 25° (dit is de hoek tussen de meest scheefstaande wervels) bedraagt. Bedraagt de kromming meer dan 40 à 50°, ongeacht de leeftijd, dan zal meestal een operatie nodig zijn.
Bij milde tot matige vormen van scoliose (tussen 25 en 40°) kan de rug ondersteund worden met een speciaal korset of brace die de rug in een meer correcte houding dwingt en helpt vermijden dat de kromming nog verder toeneemt. Het brace moet dag en nacht gedragen worden tot aan het einde van de groei (ong. 16 jaar bij meisjes en 18 jaar bij jongens). De enige momenten waarop het uit mag is bij sportactiviteiten en het nemen van een bad.
Om te vermijden dat de spieren ondertussen verslappen, moet men ook een speciaal oefenprogramma volgen onder toezicht van een kinesist. Kinesiterapie alleen volstaat niet om een scoliose te stabiliseren.
Mits volharding, de aanmoedigingen en steun van de familie, een zorgvuldig passend brace en een systematische opvolging door een ervaren arts, kan een verdere afwijking vaak succesvol gestopt worden.
Indien de scoliose ondanks alle maatregelen blijft toenemen of indien ze laattijdig wordt ontdekt en reeds meer dan 40 à 50° bedraagt, dan zal eventueel een operatie worden overwogen.
Die operatie bestaat erin dat de rug rechter wordt gezet met behulp van metalen staven en vijzen en dat een aantal wervels worden vastgezet. De rug wordt hierdoor wel wat stijver, maar dit geeft zelden aanleiding tot problemen. De metalen steunmiddelen blijven gewoonlijk voor de rest van het leven zitten, maar ook daar heeft men zelden last van. Het is belangrijk dat de evolutie tijdens de puberteit goed opgevolgd wordt. Een controle om het half jaar is aangewezen.