Nieuwe aanbevelingen voor insulinetoediening bij diabetespatiënten

Laatst bijgewerkt: June 2017 | 1 reacties
123-insuline-sp-diab-06-17.jpg

tips Een internationale expertengroep, het Forum for Injection Technique and Therapy: Expert Recommendations (FITTER), heeft nieuwe aanbevelingen opgesteld over de insulinetoediening aan diabetespatiënten. Verder zijn er 6 gouden regels ontwikkeld voor insulinetechniek bij volwassenen en kinderen, het behandelen en voorkomen lipohypertrofie, de psychologie omtrent insuline toediening, het voorkomen van prikaccidenten en Insuline­infusie (CSII).

De nieuwe aanbevelingen komen voort uit een groot onderzoek dat tussen februari 2014 en juli 2015 is gedaan onder 13.289 patiënten in 42 landen, waaronder België. Vertegenwoordigers namens 20 verschillende diabetes gerelateerde organisaties in Vlaanderen en Wallonië hebben overeenstemming bereikt omtrent de vertaling van deze aanbevelingen.

Belangrijke nieuwigheden in vergelijking met vroegere richtlijnen hebben betrekking op de lengte van de injectienaalden, de juiste injectietechniek voor de nieuwere insuline-analogen en GLP-1-agentia en het voorkomen van complicaties bij injecties zoals prikongevallen en lipodystrofie.

1. Injectie in subcutaan vetweefsel
Insuline en GLP­1­receptoragonisten moeten worden ingespoten in gezond, subcutaan vetweefsel, waarbij de intradermale en intramusculaire ruimtes, littekens en lipohypertrofie vermeden moeten worden.

2. Aanbevolen injectieplaatsen
Aanbevolen injectieplaatsen zijn de buik, dijen, billen, bovenarmen.
• buik met de volgende begrenzingen: ca. 1 cm boven het schaambeen, ca. 1 cm onder de onderste rib, op ca. 1 cm afstand van de navel en aan de zijkant bij de flanken;
• voorkant van het bovenste derde deel van beide dijbenen aan de buitenzijde;
• achterkant van beide billen en flanken bovenaan aan de buitenzijde;
• achterkant van het middelste derde deel van de bovenarm.

3. Naaldlengte
Het forum adviseert alle diabetespatiënten om de kortste pennaald van 4 mm te gebruiken. Insuline moet in onderhuids vet worden geïnjecteerd, maar langere naalden vergroten de kans dat de insuline in spierweefsel terechtkomt. Bij gebruik van een naald van 8 mm is de kans op spierweefselinjectie veel groter dan bij het gebruik van een 4 mm. Een spierinjectie is pijnlijker en zorgt voor snellere opname van insuline en kan leiden tot een te lage bloedsuikerwaarde (een hypo).

• Een pennaald van 4 mm kan ook veilig en effectief worden gebruikt bij alle obese patiënten. Hoewel deze naald de aangewezen keuze is voor deze patiënten, is een naald van 5 mm ook aanvaardbaar. A 1
• Zeer jonge kinderen (6 jaar en jonger) en zeer magere adolescenten en volwassenen moeten een naald van 4 mm gebruiken met huidplooi en de naald loodrecht inbrengen. Anderen mogen injecteren met een naald van 4 mm zonder een huidplooi te nemen. A 1
• Naalden van 4 mm moeten loodrecht in de huid worden ingebracht (onder een hoek van 90° ten opzichte van het huidoppervlak) en niet schuin, ongeacht of een huidplooi wordt genomen. A 1

4. Eenmalig gebruik
Een andere belangrijke aanbeveling is om een naald van een injectiepen slechts één keer te gebruiken, en dus iedere injectie met een nieuwe naald te doen. Veel patiënten wisselen de naald slechts een keer per dag.
Elke naald heeft een glijlaag, die na een injectie weg is. Bij vaker gebruik wordt de naald bovendien bot en de tip wordt krom, hoewel dat niet altijd direct zichtbaar is. Daardoor kan weefselschade, littekenvorming en zwelling in het onderhuids vetweefsel (lipodystrofie) ontstaan. Plaatselijk zijn er dan minder bloedvaten, waardoor bij een nieuwe injectie de opname van insuline onvoorspelbaar wordt. De patiënt moet feitelijk meer insuline injecteren voor hetzelfde effect, wat leidt tot meer medicatiekosten en verspilling. Als de patiënt de hogere dosis toch in gezonde huid injecteert, is er de kans op overdosering en een hypo.

5. Lipohypertrofie
Lipohypertrofie, of kortweg lipo, is een verdikking die kan ontstaan in de onderhuidse  vetlaag waarin herhaaldelijk insuline-injecties worden gegeven. Lipo’s kunnen variëren in grootte en vorm – van  een erwt tot een tennisbal.
Lipo’s kunnen er lelijk uitzien en  kunnen de opname van
insuline onvoorspelbaar maken. Dit kan resulteren in een gebrekkige dagelijkse controle, een hogere bloedsuikerspiegel en nood aan meer insuline. Het kan ook leiden tot hypoglycemische episodes (hypo’s).

• De diabetesverzorger moet de injectieplaatsen minimaal één keer per jaar onderzoeken op lipohypertrofie, maar vaker als er al lipohypertrofie aanwezig is.
• Patiënten moeten worden aangemoedigd om niet meer te injecteren in gebieden met lipohypertrofie tot het volgende onderzoek.
• Het is belangrijk dat de patiënt tijdens de dagelijkse injectieroutine ook steeds alert is voor lipo’s. Als u knobbeltjes, bultjes of kleine gezwellen aantreft op de injectieplaatsen, meld dat dan onmiddellijk aan uw verpleegkundige of  arts.
Deze stappen helpen om lipo’s te detecteren:
- Ontbloot de plaatsen waar u injecteert volledig.
- Ga voor een grote spiegel staan.
- Maak met uw vinger en duim huid- en vetweefselplooien en knijp ze zachtjes samen. Herhaal dit voor de hele injectiezone.
-Als het weefsel gezond is, zal u gemakkelijk het zachte vetweefsel kunnen samenduwen met weinig of geen weerstand.
- Is er een lipo aanwezig, dan zal u een rubberachtige weerstand in het weefsel voelen tussen duim en vinger.
Lipo’s variëren in grootte, van een erwt tot een tennisbal.
- Herhaal regelmatig deze controle op alle injectiezones.
- Het gebruik van een body lotion of
verzorgende olie kan helpen om gemakkelijker
onregelmatigheden in vetweefsel te herkennen
met uw vingers.

Als u een lipo aantreft, hoeft u zich nog niet meteen zorgen te maken. Eenvoudige veranderingen in uw injectietechniek kunnen helpen, en als u vermijdt om te injecteren in dit weefsel zullen veel lipo’s verkleinen of op termijn zelfs verdwijnen. Maar win altijd het advies in van een verpleegkundige of arts voor u deze injectieplaatsen weer gaat gebruiken.

6. Het roteren van de injectieplaats
Om optimale werking van insuline te garanderen en lipohypertrofie te vermijden, moeten patiënten worden aangeleerd om injectieplaatsen af te wisselen en te roteren binnen injectieplaatsen.
• Dit kan door de injectieplaatsen in zones of kwadranten te verdelen. Door één zone tegelijk te gebruiken en binnen die zone zoveel mogelijk injectieplaatsen aan bod te laten komen, kunt u vermijden om op dezelfde plaats te injecteren. Hierbij wordt één kwadrant per week gebruikt, waarbij altijd in een consequente richting wordt geroteerd (bijv. met de klok mee). A
Zo doet u het:
- Verdeel uw buik in vier zones.
- Verdeel dijen en billen in vier zones (twee aan elke kant).
- Als u ook uw arm gebruikt, beschouw die dan als één
zone (aan elke kant).

• Injecties binnen een kwadrant moeten ten minste 1 cm (ongeveer 1 vingerbreedte) van elkaar zijn verwijderd om het risico op lipohypertrofie te beperken. Elk kwadrant mag niet meer dan één keer per week worden gebruikt. A 3
Met deze systematische aanpak is er op de eerste injectieplaats in de komende 4 à 6 weken
geen nieuwe injectie. Zo kan het weefsel herstellen terwijl er slechts een kleine hoeveelheid insuline aanwezig is. Hierdoor is het risico op lipohypertrofie veel kleiner.

7. Insuline-infusiesets (IIS) voor continue subcutane insuline-infusie (CSII)
• Alle CSII­patiënten moet de kortste beschikbare naald/canule worden aangeboden, om het risico van intramusculaire infusie te minimaliseren.
• Een CSII­ canule moet elke 48 uur worden vervangen om bijwerkingen op de injectieplaats en mogelijke verslechtering van de metabole toestand te minimaliseren. Deze tijdsinschatting verschilt echter per patiënt en moet individueel worden aangepast. A 1
• Alle CSII­gebruikers moeten leren om van infu­ sieplaats te wisselen, net zoals injectiepatiënten moeten leren om van injectieplaats te wisselen. Mogelijke infusieplaatsen zijn de buik, dijen, billen en (bij kinderen) de rug. A 1
• Om optimale werking van de geïnfuseerde insuline te garanderen, moeten patiënten leren een rotatieschema toe te passen (afwisselen tussen en binnen de infusieplaatsen).
• Bij alle CSII­patiënten met onverklaarde glucose­ schommelingen waaronder frequente hypo­ of hyperglykemie moeten de infusieplaatsen worden gecontroleerd op lipohypertrofie, knobbels, littekens, ontstekingen of andere huidaandoeningen die van invloed kunnen zijn op de insulinedoorstroming of ­opname. A 1
• De infusieplaatsen van CSII­patiënten moeten regelmatig of in ieder geval één keer per jaar worden gecontroleerd op lipohypertrofie door een diabetesverzorger. A 1

Een brochure met alle nieuwe aanbevelingen vindt u hier.
http://www.bd.com/resource.aspx?IDX=31950


verschenen op : 27/06/2017

1 reacties

bekijk alle 1 reacties

Reageer zelf

verberg bovenstaande gegevens :
je naam en emailadres verschijnen dan niet bij je reactie.
hou me op de hoogte van reacties :
telkens iemand een reactie plaatst bij dit bericht ontvang je een e-mail.
tekens over.
pub