Nieuwe antistollingsmiddelen: duurder maar niet altijd beter

Laatst bijgewerkt: February 2017
123m-medic-pil-stetosc-voorschr-02-17.jpg

nieuws Antistollingsmiddelen (of anticoagulantia) zijn geneesmiddelen die o.a. worden voorgeschreven aan mensen met voorkamerfibrillatie, een hartritmestoornis, om het risico op een beroerte te verminderen.
Sinds een aantal jaren zijn de "nieuwe orale anticoagulantia" of NOACs op de markt. Er zijn er vier: Eliquis® (apixaban), Pradaxa® (dabigatran), Xarelto® (rivaroxaban) en Lixiana® (edoxaban).

Hun gebruik is handiger dan dat van de klassieke geneesmiddelen, omdat er geen maandelijkse controles van het bloed meer nodig zijn. De andere kant van de medaille is dat hun prijs ook veel hoger is: een jaarlijkse bijkomende kost van bijna 100 miljoen €.
Na een kritische analyse oordeelde het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE) dat hun voordelen niet zo vanzelfsprekend zijn als ze lijken. Als hun werkzaamheid al hoger ligt dan die van de oudere geneesmiddelen, bedraagt dit verschil niet meer dan een aantal tienden van een procent, op voorwaarde dan nog dat ze correct worden gebruikt.

Het KCE roept daarom op tot waakzaamheid: het is mogelijk dat een groot aantal patiënten die een NOAC nemen in realiteit niet afdoende beschermd is.
Er stellen zich drie problemen:
(1) Sommige patiënten die met een antistollingsmiddel behandeld worden hebben er geen voordeel bij omdat het risico op een te vermijden beroerte ongeveer even hoog ligt als het risico op een hersenbloeding als gevolg van de behandeling.

(2) Veel patiënten krijgen een (te) lage NOAC dosis voorgeschreven waarvan we niet weten of deze doeltreffend is.

(3) Doordat er bij NOACs geen maandelijkse bloedcontrole meer nodig is, kunnen de artsen niet nagaan of hun patiënten correct behandeld worden. Bovendien kan, door de manier waarop NOACs werken, elke (zelfs korte) onderbreking van de behandeling het risico op beroerte verhogen

Teveel mensen behandeld met anticoagulantia?
Het risico op beroerte bij voorkamerfibrillatie wordt ingeschat met behulp van de zogenaamde CHA2DS2-VASc score (uit te spreken als chadsvasc). Als de score gelijk is of hoger dan 2 (voor mannen) of 3 (voor vrouwen), bevelen internationale richtlijnen het gebruik van een antistollingsmiddel aan. Bij deze score biedt de behandeling namelijk meer voordelen dan dat ze risico’s (op een hersenbloeding) met zich meebrengt. Daarentegen lopen mensen met een nulscore meer risico op een hersenbloeding veroorzaakt door het antistollingsmiddel dan op een beroerte door de voorkamerfibrillatie, en is er geen reden om het geneesmiddel voor te schrijven.

Voor mensen met een score van 1 (mannen) of 2 (vrouwen) zegt het KCE dat bij deze patiënten het risico op een beroerte, die men probeert te voorkomen, ongeveer even hoog is als het risico op een hersenbloeding door de anticoagulantia. Conclusie is dat deze mensen over het algemeen beter geen anticoagulantia nemen. Men kan het zich immers niet veroorloven om ze bloot te stellen aan een risico op hersenbloeding, terwijl het risico op beroerte eerder klein is.
Het KCE heeft ook zijn twijfels over sommige internationale richtlijnen. Zij vormen dé referentie voor artsen, maar men stelt vast dat de farmaceutische industrie steeds meer wordt betrokken bij hun ontwikkeling. Bovendien zorgden een aantal beperkingen van klinische studies van NOACs (die door de industrie gesponsord werden) onlangs nog voor veel opschudding in de wetenschappelijke pers.

Reageer zelf

verberg bovenstaande gegevens :
je naam en emailadres verschijnen dan niet bij je reactie.
hou me op de hoogte van reacties :
telkens iemand een reactie plaatst bij dit bericht ontvang je een e-mail.
tekens over.
pub