Wie heeft een verhoogd risico op coeliakie?

Laatst bijgewerkt: January 2016
123-tablet-txt-gluten-vrij-coeliak-01-16.jpg

tips Hoewel coeliakie of glutenintolerantie veel voorkomt, wordt het dikwijls niet herkend. Tegenover elk kind waarbij coeliakie is vastgesteld, zouden er zeven kinderen met coeliakie staan waarvan dat nog niet bekend is en die dus ook niet behandeld worden (met een glutenvrij dieet). Dat kan, ook bij mensen met weinig of geen klachten, ernstige gevolgen hebben, zoals bijvoorbeeld groeivertraging, bloedarmoede door ijzertekort, een verminderde botdichtheid...
Sommige mensen met een verhoogd risico wordt daarom aangeraden om zich te laten testen op coeliakie, ook als ze (nog) geen klachten hebben.

1. Familieleden met coeliakie
Familieleden van een coeliakiepatiënt hebben een veel grotere kans dan gemiddeld om er ook aan te lijden: ongeveer één op acht (waar het gemiddelde één op 1 à 200 is), dus 10 à 20 keer zo hoog als de algemene bevolking.
Van de verwanten die er niet onder lijken te lijden, heeft een tamelijk groot deel vermoedelijk wel de aanleg maar (nog) geen symptomen. Er moeten dus nog andere (omgevings)factoren meespelen om het te ontwikkelen.

• Als een eerstegraadsfamilielid (ouders, kinderen, broers en zussen) coeliakie heeft is de kans dat u het ook heeft of krijgt ± 10 %. Bij identieke tweelingen waar er eentje coeliakie heeft, is er zelfs meer dan 70 % kans dat de andere het ook heeft.
• Anderzijds zijn er ook veel coeliakiepatiënten die geen (bekende?) familieleden hebben met de ziekte.

2. Auto-immuunziekten
Coeliakie komt meer voor bij mensen met andere auto-immuunziekten zoals diabetes type 1, psoriasis, ziekte van Sjögren en bepaalde schildklieraandoeningen.

3. IgA deficiëntie
IgA deficiëntie is een aangeboren aandoening waarbij de afweerstof IgA gedeeltelijk of geheel ontbreekt. IgA deficiëntie komt voor bij ongeveer 10% van de mensen die coeliakie hebben.

4. Coeliakie komt ongeveer 10 keer meer voor bij mensen met het syndroom van Down, met het syndroom van Turner en het syndroom van Williams.

5. Geslacht
Glutenintolerantie komt twee tot drie keer meer voor bij vrouwen dan bij mannen. Dit is al op 3-jarige leeftijd zichtbaar wanneer zij op jonge leeftijd (vanaf 4 maanden) gluten krijgen.

Is het zinvol om familieleden van coeliakiepatiënten te testen?

Omdat coeliakie kan gepaard gaan met ernstige verwikkelingen zoals osteoporose, bloedarmoede, groeistoornissen enzovoorts, is het zinvol om bij eerste graadsverwanten (ouders, kinderen, broers en zussen) van een coeliakiepatiënt een onderzoek naar coeliakie te doen, ook als ze zelf nog geen klachten hebben. Op die manier kan vroeg gestart worden met een glutenvrij dieet en kunnen de complicaties voorkomen worden.

1. Bij familieleden met klachten die kunnen wijzen op coeliakie, wordt aangeraden om een biopsie van de dunne darm uit te voeren.
Bij kinderen met klachten bij wie bloedonderzoek heeft aangetoond dat ze de erfelijke factoren hebben én ook coeliakie-antistoffen, kan ook zonder biopsie van de dunne darm gestart worden met een glutenvrij dieet.

2. Bij familieleden zonder klachten wordt eerst een bloedtest gedaan (DNA-onderzoek in het bloed). Daarbij wordt gekeken naar de aanwezigheid van HLA-DQ2 en -DQ8. Deze moleculen spelen een rol bij coeliakie. Bij kinderen van coeliakiepatiënten kan dit gebeuren vanaf de leeftijd van drie jaar.

• Als de genetische factoren DQ2 en/of DQ8 niet aanwezig zijn, is de kans op coeliakie verwaarloosbaar en is verder onderzoek of een nieuwe test na enkele jaren niet nodig.

• Als DQ2 en/of DQ8 wel aanwezig zijn, dan bestaat er een verhoogde kans op coeliakie en is verder onderzoek nodig in de vorm van bepaling in het bloed van de coeliakie-antilichamen (totaal IgA, tTGA en EMA).

• Wanneer dat bloedonderzoek negatief is, wordt aangeraden om de test te herhalen om de één à twee jaar (bij kinderen) en om de vijf jaar (bij volwassenen).

• Is ook dat bloedonderzoek positief, dan moet een dunnedarmbiopsie worden uitgevoerd. Dat is tot nu toe de enige 100% betrouwbare manier om de diagnose coeliakie met zekerheid te stellen.

Moeten ook andere risicopersonen getest worden?

Ook bij sommige andere risicogroepen wordt aangeraden om, op dezelfde manier als bij familieleden met coeliakie, een onderzoek te doen naar coeliakie, ook als ze nog geen klachten hebben.

• Kinderen met het syndroom van Down, het syndroom van Williams en het syndroom van Turner.
In het begin van het vierde levensjaar wordt een bloedtest verricht waarbij zowel genetische factoren (HLA-DQ2 en-DQ8) en als coeliakie-antilichamen (totaal IgA, tTGA en EMA) worden opgespoord.
- Als DQ2 en/of DQ8 niet aanwezig zijn, is verder onderzoek niet nodig.
- Als DQ2 en/of DQ8 wél aanwezig zijn, maar geen antilichamen worden gevonden, wordt de bloedtest om de één à twee jaar (bij kinderen) en om de vijf jaar bij (volwassenen) herhaald.
- Als beide tests positief zijn, wordt een dunnedarmbiopsie uitgevoerd om de diagnose te bevestigen.

• Ook bij mensen met diabetes type 1, met schildklierlijden en met auto-immuunziekten kan een dergelijk onderzoek verricht worden.
- Bij klachten die wijzen op coeliakie wordt een dunnedarmbiopsie aangeraden.
- Wanneer er geen klachten zijn die op coeliakie wijzen, kan een bloedonderzoek worden uitgevoerd. Bespreek dit met uw behandelend arts.

Bronnen
https://www.kuleuven.be/vesaliusonline/TD05_Hiele.pdf
http://www.mdl.nl/uploads/240/442/richtlijn_Coeliakie_definitief.pdf
https://www.lumc.nl/sub/1905/att/939328/2015_NtVG.pdf
https://www.lumc.nl/org/coeliakiepoli/veelgestelde-vragen/


verschenen op : 05/02/2016

Reageer zelf

verberg bovenstaande gegevens :
je naam en emailadres verschijnen dan niet bij je reactie.
hou me op de hoogte van reacties :
telkens iemand een reactie plaatst bij dit bericht ontvang je een e-mail.
tekens over.
pub