print 10 reacties |478.475x gelezen

Bloedkankers deel 3: Leukemie

naar rubriek bloedkankers

Wat is leukemie?

Leukemie is een verzamelterm voor een groep van beenmergkankers gekenmerkt door een ontregelde groei van verschillende soorten witte bloedcellen. Vanuit het beenmerg gaat de ziekte meestal over op het circulerende bloed en op andere organen (lymfeklieren, milt en lever). In principe kan elk orgaan worden aangetast, ook het centraal zenuwstelsel.
De functie van het beenmerg is de aanmaak van bloedcellen: rode en witte bloedlichaampjes en bloedplaatjes. De cellen doorlopen in het beenmerg meerdere rijpingsstadia, beginnend vanuit de stamcel naar de jonge blastcel tot een rijpe cel. De rijpe cel komt uiteindelijk in het bloed.

zie ook artikel : Stamceltechnologie. Modegril of therapie voor de toekomst?

De witte bloedcellen zorgen er voor dat vreemde indringers (zoals bacteriën en virussen) bestreden worden. Sterk vereenvoudigd kan men zeggen dat de lymfocyten, één van de verschillende types witte bloedcellen, antilichamen aanmaken en die op de vreemde indringer plaatsen. Daarna worden de indringers aangevallen door de granulocyten die de indringer doden. De indringer wordt via de lymfevaten afgevoerd naar de nieren en de lever.
Bij leukemie vindt er een storing in de vorming van de witte bloedcellen plaats. De cellen in het beenmerg nemen in aantal toe door een ontsporing ergens in het rijpingstraject. Het gaat dus om cellen die nog niet voldoende zijn uitgerijpt waardoor ze nog niet hun taak kunnen vervullen. Hierdoor ontstaan grote hoeveelheden onrijpe bloedcellen. Door deze woekering komt de productie van normale bloedcellen in het beenmerg in het gedrang. Door een tekort aan rode bloedcellen ontstaat onder meer bloedarmoede (anemie) en kan het bloed minder zuurstof en voedingsstoffen vervoeren. Door een tekort aan rijpe witte bloedcellen, wordt men veel gevoeliger voor infecties. Een tekort aan bloedplaatjes, leidt tot een verstoring van de bloedstolling en bloedingen (trombocytopenie).
Aanvankelijk is er alleen in het beenmerg een overmaat aan onrijpe bloedellen. Na verloop van tijd komen die onrijpe cellen in de bloedbaan en dus ook in de organen terecht.

Afhankelijk van het soort witte bloedcel dat de ziekte veroorzaakt, spreekt men van lymfatische of myeloïde leukemie. Daarnaast wordt er een onderscheid gemaakt in acute en chronische leukemie.
Bij acute leukemie ontstaat in korte tijd een ophoping van onrijpe bloedcellen. Bij chronische leukemie zijn de cellen al meer in normale zin ontwikkeld en verloopt het proces veel trager.

Het aantal nieuwe gevallen van leukemie per 100 000 inwoners per jaar wordt op 7 à 8 geschat, wat dus in België neerkomt op ongeveer 7 à 800 nieuwe gevallen per jaar.
Bij kinderen tot veertien jaar is leukemie de meest voorkomende kanker. Bij kinderen gaat het bijna uitsluitend om acute leukemie. De ziekte komt iets vaker voor bij jongens dan bij meisjes. Bij volwassenen komen zowel acute als chronische leukemie voor.

Oorzaken

Over de preciese oorzaak van leukemie is weinig bekend. Wel kent men enkele factoren die bij het ontstaan een rol spelen.

Omgevingsfactoren
Het is bekend dat blootstelling aan grote hoeveelheden radioactieve straling, de kans op leukemie vergroot. Ook staat vast dat een vroegere behandeling met radiotherapie het risico op leukemie verhoogt. Er bestaat een verhoogde kans op leukemie bij kinderen die voor of na de geboorte werden blootgesteld aan bestraling. Over de vraag of het risico op leukemie hoger ligt bij mensen die in de omgeving van een kerncentrale wonen, lopen de wetenschappelijke opinies uit elkaar.
Over de vraag of wonen in de omgeving van hoogspanningskabels het risico verhoogt, bestaat evenmin overeenstemming in wetenschappelijke kringen.
Ook langdurige of massieve blootstelling aan bepaalde chemische stoffen zoals benzeen en sommige pesticiden verhoogt het risico. Ook sommige geneesmiddelen (cytostatica) die gebruikt worden bij chemotherapie om kanker te behandelen, kunnen leukemie uitlokken.

zie ook artikel : Straling - De bestraalde mens

Virussen
Er bestaan aanduidingen dat een bepaald virus (humane T-cel leukemie virus) een zeldzame vorm van leukemie kan uitlokken.

Genetische factoren
Er zijn aanwijzingen dat een erfelijke aanleg mogelijk van invloed is bij het ontstaan van sommige vormen van leukemie. Met name bij chronische myeloïde leukemie bevatten de kankercellen bijna altijd een abnormaal chromosoom (het Philadelphia-chromosoom) waarbij een deel van het chromosoom met een ander is vergroeid.
Ook wordt een verhoogde kans op bepaalde vormen van leukemie vastgesteld bij personen met het Down syndroom en met afwijkingen in DNA reparatiemechanismen.

Soorten leukemie

ACUTE LYMFATISCHE LEUKEMIE ( ALL )

De onrijpe cellen die gaan woekeren zijn de cellen die zich als lymfocyten hadden moeten ontwikkelen. Ze verspreiden zich in het beenmerg, het bloed en in de lymfevaten en lymfeklieren en kunnen ook andere organen binnendringen. Bovendien verdringen ze de andere normale bloedcellen.
Het is de meest voorkomende kanker bij kinderen jonger dan 14 jaar. Bij kinderen met leukemie heeft 95% een acute en ten hoogste 5% een chronische vorm. De acute leukemie wordt bij 3 à 4 van de 100.000 kinderen vastgesteld. Van de kinderen met acute leukemie heeft 80% de lymfatische vorm. ALL komt vooral voor tussen het tweede en derde levensjaar.

Klachten
Aanvankelijk kunnen de symptomen bij ALL sterk lijken op een gewone infectie.
Alarmsignalen die aan leukemie moeten doen denken zijn onder meer:
•bleekheid,
•onverklaarbaar moe, buiten adem bij de minste inspanning
•herhaalde infecties,
•koorts
•botpijnen
•zwelling van de lymfeklieren
•vergroting van lever en milt
•spontane bloedingen (blauwe plekken, bloedend tandvlees, neus, overdreven maandstonden…).

Dit klachtenpatroon wordt veroorzaakt door de tekorten aan rode en witte bloedcellen en aan bloedplaatjes.

Onderzoek
Wanneer er een vermoeden van leukemie bestaat, zal de arts een gericht laboratoriumonderzoek laten uitvoeren.
In eerste instantie worden bloedtests uitgevoerd. Indien die verdachte afwijkingen vertonen, gebeurt een beenmergonderzoek. Soms volgt ook een biopsie waarbij een stukje bot uit de bekkenrand wordt verwijderd. Een patholoog onderzoekt het verwijderde cel- en/of weefselmateriaal onder de microscoop.
Aanvullend onderzoek omvat ondermeer een uitgebreid hematologisch (bloed)onderzoek, bloedstollingsonderzoek, lever- en nieronderzoek, foto’s van de longen, echografie van de buik, punctie van ruggenmergvocht.

Behandeling
De behandeling is onder meer afhankelijk van het preciese type en het stadium waarin de ziekte zich bevindt, het aantal abnormale cellen, de specifieke kenmerken van die cellen, van de leeftijd van de patiënt, specifieke genetische of chomosoomafwijkingen (bv. syndroom van Down, aanwezigheid van een afwijkend Philadelphia-chromosoom…). De behandeling wordt ook continu bijgestuurd in functie van de reacties op de behandeling.
Zodra de ziekte vaststaat, zal meestal zo snel mogelijk gestart worden met de behandeling.
Meer dan de helft van de kinderen met ALL geneest momenteel bij optimale behandeling. De overlevingskans na 5 jaar ligt rond 80%, na 10 jaar rond 70%. De prognose bij meisjes is beter dan bij jongens. Verder is de prognose op het tijdstip van diagnose bij kinderen jonger dan 1 jaar of ouder dan 10 jaar slechter dan bij kinderen tussen 1 en 10 jaar oud. De prognose bij kinderen jonger dan 1 jaar is zeer slecht. De prognose is ook afhankelijk van het specifieke type ALL en van eventuele genetische of chromosomale afwijkingen.
Bij volwassenen lopen de ramingen op overleven na 5 jaar met een optimale behandeling uiteen van 35 tot 50%. De overlevingskansen liggen hoger bij jonge patiënten (-35 jaar) en veel lager bij patiënten met een specifieke chromosomenafwijking (Philadelphia-chromosoom) die bij zowat 20% van de volwassen ALL-patiënten voorkomt.
Als gevolg van de behandeling kunnen op langere termijn stoornissen ontstaan zoals groeistoornissen, stoornissen van de geslachtsklieren, hartritmestoornissen en neuropsychologische veranderingen. Ook kunnen elders andere kankers ontstaan (bv. van de testikels bij jongens).

Behandeling Kinderen
De behandeling verloopt meestal in vier fasen:
•Remissie-inductie: door een intensieve chemotherapie probeert men de afwijkende cellen zo veel mogelijk te vernietigen zodat de kanker 'in remissie' gaat, zich als het ware terugtrekt. Tegelijk worden antibiotica worden gegeven om infecties te voorkomen en te behandelen en bloedtransfusies om het aantal normale bloedcellen te verhogen. Meestal duurt deze eerste fase een viertal weken.
•CZS-profylaxe: een intensieve chemotherapiekuur, eventueel via rechtstreekse toediening in het ruggenmerg of de hersenen, waarbij men probeert te vermijden dat de abnormale cellen zich in het centrale zenuwstelsel (CZS) verspreiden of om hen te doden indien ze reeds aanwezig zijn in het CZS. De chemotherapie kan aangevuld worden met lokale bestraling van het hoofd.
•Intensificatie/consolidatie: Het gaat hierbij om een intensieve cytostaticakuur om het effect van de remissie zo optimaal mogelijk te maken.
•Onderhoudsbehandeling met lage dosis chemotherapie, al dan niet afgesloten met een intensieve eindbehandeling. Deze is gericht op het uitroeien van nog aanwezige, maar niet aantoonbare leukemiecellen. Deze behandeling zal twee tot drie jaren duren.
•In plaats van een onderhoudsbehandeling met chemotherapie kan ook een beenmerg- of een stamceltransplantatie worden toegepast. Dit gebeurt vooral bij patiënten waarbij de gewone behandeling niet aanslaat of de kans op genezing ongunstig ligt (bv. bij patiënten met chromosomale afwijkingen).

Behandeling Volwassenen
Bij volwassenen wordt grosso modo hetzelfde behandelingsschema toegepast. Alleen verloopt de behandeling in principe in drie fasen:
•De remissie-inductie fase met een intensieve chemotherapie. Meestal kan deze therapie ambulant gegeven worden. De behandeling duurt meestal 4 weken. Bij 60 tot 90% van de patiënten treedt na de eerste fase remissie op die gemiddeld 15 maanden aanhoudt. De meeste patiënten die na remissie hervallen, overleven minder dan 1 jaar.
•CZS-profylaxe met chemotherapie (hoge dosissen of toegediend via de hersenen), al of niet gecombineerd met lokale radiotherapie op de hersenen.
•onderhoudsbehandeling met lagere dosis chemotherapie, zo nodig aangevuld met beenmerg stimulerende geneesmiddelen. Afhankelijk van de reacties op de geneesmiddelen en het preciese type ALL, wordt onmiddellijk na de remissie een intensieve chemokuur gegeven, eventueel aangevuld met radiotherapie (intensificatie/consolidatie). Een dergelijke intensieve kuur vereist een opname in het ziekenhuis. Ook deze kuur duurt meestal één maand.
• Na de remissie-inductie fase kan een beenmergtransplantatie worden uitgevoerd. Dit gebeurt onder meer bij patiënten die na remissie hervallen en bij patiënten met een ongunstige prognose (o.m. patiënten met Philadelphia-chromosoom).

zie ook artikel : Bloedkankers: deel 2: Behandelingsmethoden

ACUTE MYELOIDE LEUKEMIE ( AML )

De onrijpe cellen die gaan woekeren zijn de cellen die bedoeld waren om zich tot granulocyten, rode bloedcellen (erytrocyten) of bloedplaatjes (thrombocyten) te ontwikkelen.
Afhankelijk van de soort cel die in aantal blijft toenemen, wordt AML onderverdeeld in 6 typen.
AML is een zeldzame ziekte, het gaat naar schatting om 1 à 2 patiënten per 100.000 personen per jaar.
In tegenstelling tot ALL komt AML vooral voor bij oudere mensen (boven 60 jaar).

Klachten
Aanvankelijk kunnen de symptomen bij AML sterk lijken op een gewone infectie.
Alarmsignalen die aan leukemie moeten doen denken zijn onder meer:
• bleekheid,
• onverklaarbaar moe, buiten adem bij de minste inspanning
• herhaalde infecties,
• koorts
• botpijnen
• spontane bloedingen (blauwe plekken, bloedend tandvlees, neus, overdreven maandstonden…).
In tegenstelling tot ALL worden zelden gezwollen lymfeklieren of een vergroting van lever of milt vastgesteld.
Dit klachtenpatroon wordt veroorzaakt door de tekorten aan rode en witte bloedcellen en aan bloedplaatjes.

Onderzoek
Wanneer er een vermoeden van leukemie bestaat, zal de arts een gericht laboratoriumonderzoek laten uitvoeren.
In eerste instantie worden bloedtests uitgevoerd. Indien die verdachte afwijkingen vertonen, gebeurt een beenmergonderzoek. Soms volgt ook een biopsie waarbij een stukje bot uit de bekkenrand wordt verwijderd. Een patholoog onderzoekt het verwijderde cel- en/of weefselmateriaal onder de microscoop.
Aanvullend onderzoek omvat ondermeer een uitgebreid hematologisch (bloed)onderzoek, bloedstollingsonderzoek, lever- en nieronderzoek, foto’s van de longen, echografie van de buik, punctie van ruggenmergvocht.

Behandeling
Hoe sneller de diagnose gesteld is en de behandeling is begonnen, hoe beter de prognose. De overlevingskans na vijf jaar wordt geschat op 15% na een adequate behandeling. De prognose is onder meer afhankelijk van leeftijd, het specifieke type van AML, het aantal witte bloedcellen, de uitgebreidheid van de kanker, en bepaalde genetische of chromosoomafwijkingen.

De behandeling verloopt normaal in twee fasen:

•Remissie-inductie: door een intensieve chemotherapie probeert men de afwijkende cellen zo veel mogelijk te vernietigen zodat de kanker 'in remissie' gaat, zich als het ware terugtrekt. Tegelijk zullen antibiotica worden gegeven om infecties te voorkomen en bloedtransfusies om het aantal normale bloedcellen te verhogen. Volledige remissie wordt bereikt bij 60 tot 70% van volwassenen met AML. De remissie ligt hoger en duurt langer bij patiënten jonger dan 60 jaar.

•Postremissie: langdurige onderhoudsbehandeling met lage dosis chemotherapie of een kortdurende, intensieve eindbehandeling.

• In plaats van een onderhoudsbehandeling met chemotherapie kan na de remissie ook een beenmerg- of een stamceltransplantatie worden toegepast.

• Indien de leukemie is verspreid naar het centraal zenuwstelsel, zal intensieve chemotherapie, eventueel samen met lokale radiotherapie, worden toegepast. Vermits verspreiding naar het centraal zenuwstelsel vrij weinig voorkomt bij dit type van leukemie, is een preventieve CZS-behandeling meestal niet nodig.

• Bij herval na remissie, zal opnieuw chemotherapie (met andere cytostatica) en/of beenmergtransplantatie worden toegepast.

CHRONISCHE LYMFATISCHE LEUKEMIE (CLL)

Bij CLL beginnen rijpe witte bloedcellen (lymfocyten) te woekeren: ze vermenigvuldigen zich ongecontroleerd en leven langer, waardoor andere bloedcellen worden verdrongen. Bij chronische leukemie zijn de cellen al meer in normale zin ontwikkeld en gaat het proces veel trager. Vaak bestaat er een vergroting van de lymfeklieren en/of de milt.
Het is de meest voorkomende vorm van bloedkanker bij personen boven 50 jaar en het risico neemt toe met de ouderdom. Deze kanker komt zelden voor beneden 40 jaar. De ziekte komt bijna twee keer zo veel voor bij mannen als bij vrouwen.

Klachten
Chronische leukemie is een sluipende ziekte. In het begin zijn er vaak helemaal geen klachten.
Soms wordt ze pas vastgesteld naar aanleiding van een toevallig bloedonderzoek.

Volgende klachten kunnen na verloop van tijd optreden:
• bleekheid
• onverklaarbaar moe, buiten adem bij de minste inspanning
• herhaalde infecties (zoals herpes, bacteriële infcties…)
• nachtelijke koorts en zweten
• gewichtsverlies
• botpijnen
• zwelling van de lymfeklieren
• vergroting van lever en milt
• spontane bloedingen (blauwe plekken, bloedend tandvlees, neus, overdreven maandstonden…).
Dit klachtenpatroon wordt veroorzaakt door de tekorten aan rode en witte bloedcellen en aan bloedplaatjes.

Onderzoek
Wanneer er een vermoeden van leukemie bestaat, zal de arts een gericht laboratoriumonderzoek laten uitvoeren.
In eerste instantie worden bloedtests uitgevoerd. Indien die verdachte afwijkingen vertonen (zoals meer dan 10.000 lymfocyten per kubieke millimeter), gebeurt een beenmergonderzoek. Soms volgt ook een biopsie waarbij een stukje bot uit de bekkenrand wordt verwijderd. Een patholoog onderzoekt het verwijderde cel- en/of weefselmateriaal onder de microscoop.
Aanvullend onderzoek omvat ondermeer een uitgebreid hematologisch (bloed)onderzoek, bloedstollingsonderzoek, lever- en nieronderzoek, foto’s van de longen, echografie van de buik, punctie van ruggenmergvocht.

Behandeling
De ziekte kan meestal niet genezen worden, maar kan wel tot op zekere hoogte onder controle worden gehouden.
Bij sommige patiënten kan de ziekte jarenlang sluimeren zonder dat enige specifieke behandeling vereist is. Bij andere patiënten zal onmiddellijk een behandeling worden gestart.
Infecties moeten steeds zeer goed opgevolgd en behandeld worden vanwege de verminderde afweer. Soms zullen preventieve behandelingen met bv. antibiotica en/of immunoglobulinen worden gestart om infecties te voorkomen. Ook zullen soms geneesmiddelen worden gegeven om de bloedstolling te stimuleren.
De behandeling is afhankelijk van de leeftijd van de patiënt, zijn algemene toestand en vooral het stadium waarin de ziekte zich bevindt.

•Stadium 0: er zijn te veel witte bloedcellen in bloed, maar geen andere symptomen. De milt of de lever zijn niet opgezwollen en het aantal rode bloedcellen en bloedplaatjes is normaal.
Afhankelijk van de concrete omstandigheden zal geen behandeling worden ingesteld. Hoe jonger de patiënt, hoe sneller zal besloten worden tot chemotherapie. De patiënt wordt van dichtbij opgevolgd om de evolutie van de ziekte na te gaan en bij verslechtering snel te kunnen ingrijpen.

•Stadium 1: Te veel witte bloedcellen en lymfeklieren zijn gezwollen. Lever en milt zijn niet gezwollen, aantal rode bloedcellen en bloedplaatjes is normaal.
Eén of meerdere van de volgende behandelingen:
• geen behandeling
• chemotherapie met een of meerdere cytostatica en met of zonder corticosteroïden
• radiotherapie (op de gezwollen lymfeklieren)
• monoclonale antilichamen (Alemtuzumab)
• autogene of autologe beenmerg- of stamceltransplantatie.

• Stadium 2: Te veel witte bloedcellen, lymfeklieren, milt en lever gezwollen.
Eén of meerdere van de volgende behandelingen:
• geen behandeling
• chemotherapie met of zonder cortisone
• radiotherapie (lymfeklieren, milt)
• monoclonale antilichamen (Alemtuzumab)
• autogene of autologe beenmerg- of stamceltransplantatie.

• Stadium 3: te veel witte bloedcellen, te weinig rode bloedcellen. Lymfeklieren, milt en lever meestal gezwollen.
Eén of meerdere van de volgende behandelingen:
• geen behandeling
• chemotherapie met of zonder cortisone
• radiotherapie (lymfeklieren, milt)
• chirurgische verwijdering van de milt
• monoclonale antilichamen (Alemtuzumab)
• autogene of autologe beenmerg- of stamceltransplantatie.

• Stadium 4: te veel witte bloedcellen, te weinig bloedplaatjes. Meestal ook te weinig rode bloedcellen en gezwollen lymfeklieren, milt en lever.
Eén of meerdere van de volgende behandelingen:
• geen behandeling
• chemotherapie met of zonder cortisone
• radiotherapie (lymfeklieren, milt)
• chirurgische verwijdering van de milt
• monoclonale antilichamen (Alemtuzumab)
• autogene of autologe beenmerg- of stamceltransplantatie.

CHRONISCHE MYOLOIDE LEUKEMIE (CML )

CML ontstaat wanneer granulocyten, een type van witte bloedlichaampjes, zich abnormaal beginnen te ontwikkelen en te vermenigvuldigen. Dit gebeurt vooral in het beenmerg, maar ook in lever en milt.
CML komt vooral voor bij oudere mensen (boven 60 jaar), iets meer bij mannen dan bij vrouwen. Het komt zelden voor bij jongeren. De gemiddelde overleving bedraagt 4 tot 6 jaar, met uitersten van minder dan 1 jaar tot meer dan 10 jaar.

Oorzaak
Bij 95% van de patiënten met CML wordt een abnormaal chromosoom gevonden, het Philadelphia chromosoom. Het Philadelphia chromosoom ontstaat doordat een stukje van chromosoom 9 van plaats wisselt met een stukje van chromosoom 22. Zowel op chromosoom 9 als op chromosoom 22 breekt het chromosoom midden in een gen. Op chromosoom 9 is dat het abl-gen en op chromosoom 22 is dat het bcr-gen. Door de verplaatsing ontstaat er een fusiegen, het bcr-abl gen, op chromosoom 22. Dit gen codeert voor een eiwit, het BCR-ABL eiwit, dat verantwoordelijk is voor de sterke groei en abnormale ontwikkeling van witte bloedcellen.
Dit Philadelphia chromosoom wordt ook aangetroffen bij een aantal mensen met acute myoloide leukemie waar het de kans op een slechte afloop vergroot.

Klachten
In het begin zijn er vaak helemaal geen klachten.
Volgende klachten kunnen na verloop van tijd optreden:
• bleekheid,
• onverklaarbaar moe, buiten adem bij de minste inspanning
• nachtelijke koorts en zweten
• gewichtsverlies, eetlustverlies
• zeer sterke uitzetting van de milt, wat leidt tot een drukkende pijn in de linker onderbuik
• spontane bloedingen (blauwe plekken, kleine onderhuidse bloedingen, bloedend tandvlees, neus,…).

Dit klachtenpatroon wordt veroorzaakt door de tekorten aan rode en witte bloedcellen en aan bloedplaatjes.
In een latere fase van de ziekte treden ook botpijnen, spontane botbreuken, verhoogd risico op infecties en soms bobbels onder de huid vol abnormale granulocyten op.

Evolutie
•Chronische fase
De duur van de chronische fase kan variëren, maar duurt in het algemeen 5-6 jaar.

•Acceleratiefase
De chronische fase wordt gevolgd door een overgangsfase, die de acceleratiefase wordt genoemd. In deze fase stijgt het aantal witte bloedcellen sterk en worden er steeds meer onrijpe witte bloedcellen (blasten) in de circulatie gevonden. De toename van het aantal blasten wordt veroorzaakt doordat voorlopercellen (stamcellen) in het beenmerg het vermogen hebben verloren om uit te groeien tot functionele witte bloedcellen. Het percentage blasten neemt vervolgens steeds verder toe. Overleving in de acceleratiefase bedraagt gemiddeld minder dan 1 jaar.

•Blastencrisis
Wanneer er meer dan 30% blasten in het bloed gevonden wordt, spreekt men van een blastencrisis. De prognose voor patiënten in de blastencrisis is slecht. De overleving van een patiënt in een blastencrisis is gemiddeld minder dan 5 maanden.

Behandeling
CML kan alleen door een allogene beenmerg- of stamceltransplantatie worden genezen.
Veel CML-patiënten komen echter niet in aanmerking voor een beenmerg- of stamceltransplantatie omdat ze te oud zijn (de leeftijdsgrens wordt meestal op 60 jaar gesteld) of wegens het ontbreken van een geschikt donor. Hoe sneller de transplantatie kan uitgevoerd worden, hoe groter de overlevingskansen.
CML wordt verder behandeld met geneesmiddelen zoals interferon-alfa en/of specifieke cytostatica om de sterk verhoogde witte bloedcellen te verminderen. Ook worden bloedtransfusies gegeven of bloedplaatsjes en/of rode bloedcellen toegediend, of worden witte bloedcellen uit het bloed gefilterd.
Al deze methoden kunnen het leven van een CML-patiënt verlengen, maar genezen de ziekte niet.
Sinds kort bestaat een nieuw geneesmiddel, Imatinib, dat specifiek ontworpen is om het BCR-ABL eiwit, dat verantwoordelijk is voor de ontregelde celgroei bij CML, te remmen. Klinisch onderzoek heeft aangetoond dat imatinib bij een groot aantal patiënten leidt tot een sterke vermindering van het aantal abnormale cellen of zelfs een normalisatie van het bloed. De bijwerkingen die kunnen optreden zijn milder dan de bijwerkingen die met interferon-alfa kunnen optreden. Het is nog niet bekend wat de effecten van imatinib op lange termijn zijn. Imatinib wordt momenteel vooral toegepast bij patiënten die uitbehandeld zijn met interferon-alfa, in de acceleratiefase, na een blastencrisis en bij herval na een vroegere behandeling.
Indien de milt sterk is gezwollen, kan die chirurgisch worden verwijderd.

zie ook rubriek bloedkankers

zie ook artikel : Bloedkankers: deel 2: Behandelingsmethoden

verschenen op : 12-06-2003   |  bijgewerkt op : 23-01-2014

 

Meer over:   bloedkanker     bloedziekten     chemotherapie     stamcelonderzoek    

Vind je deze informatie nuttig? Deel deze dan nu:
print 10 reacties |478.475x gelezen

Reacties

Bloedkankers deel 3: Leukemie

door anoniem , 07 oktober 2014 om 19:13

hallo ik heb ook de ziekte cll en ben blij te horen dat uw man al zo lang in goede gezondheid is.dIE VITAMINEN D3 EN K2 kan ik die ook in de voeding terug vin ...

lees verder »

Bloedkankers deel 3: Leukemie

door jose hellenbrand , 30 juli 2014 om 10:24

mijn man heef tCLL en verkeert al 15 jaar in goede gezondheid,zijn Cll is volkomen stabiel hij neemt een hoge dosis vit D3 en K2 en eet gezond voornamelijk bio ...

lees verder »

Bloedkankers deel 3: Leukemie

door anoniem , 27 maart 2014 om 20:35

te veel witte bloedcellen wat doen nu reeds 80000 WAT KAN IK DOEN???? ...

lees verder »

cml

door b van til , 22 september 2013 om 20:31

uw artikel is voor een deel wel goed maar zeker niet niet geactualiseerd en geeft een redelijk pessimistische prognose. Inmiddels zijn er zeer goede behandelmet ...

lees verder »

Bloedkankers deel 3: Leukemie

door Verhulsen , 10 juni 2013 om 17:44

Sorry maar ik zie er is een fout in mijn meeltje ik bedoelde bloetkanker ...

lees verder »

Bloedkankers deel 3: Leukemie

door Verhulsen , 10 juni 2013 om 17:34

Mijn moeder is gestorven aan bloedbanken ze moest regelmatig naar het ziekenhuis voor bloedplaatjes nu is mijn vraag of ik het ook zou kunnen krijgen of is het ...

lees verder »

Bloedkankers deel 3: Leukemie

door yahsin , 16 januari 2013 om 19:23

hallo,ik heb 2 dagen stekende buikpijn gehad en ik verlies haar op mijn hoofd,op bepaalde paatsen,waar dan geen enke haartje meer te bespeuren is,deze combinati ...

lees verder »

Reageer op dit artikel

email:
naam:
verberg bovenstaande gegevens :
je naam en emailadres verschijnen dan niet bij je reactie.
onderwerp:
bericht: tekens over.
terug naar begin artikel »
pub
pub
pub